Met woorden net zo sterk als met zijn vuisten

Overleden The Greatest Vrijdag overleed bokslegende Muhammad Ali. Hij was meer dan een sportman, onder meer door zijn strijd voor rassengelijkheid in de VS.

Foto John Rooney/AP

Ik hoef niet te zijn wat jullie willen dat ik ben. Ik ben vrij om te zijn wat ik wil.” De bokser die altijd voor zijn mening uitkwam, zei dit in 1964 tegen journalisten, nadat hij belachelijk was gemaakt omdat hij zich, op z’n 22ste, had bekeerd tot de islam en zijn ‘slavennaam’ Cassius Clay had ingeruild voor Muhammad Ali.

Jackie Robinson, kort na de Tweede Wereldoorlog de eerste zwarte speler in het Amerikaanse profhonkbal, nam het op voor de jonge kampioen die het mikpunt was van spot en kritiek. „Tijdens mijn eigen sportcarrière heb ik ondervonden dat er veel journalisten zijn die houden van gedweeë negers die ‘hun plaats kennen’. Natuurlijk heeft Clay, of Ali, door zijn woorden in de ring met daden kracht bij te zetten, duidelijk getoond waar zijn ‘plaats’ is – helemaal boven aan de top.”

De wereldkampioen in het zwaargewicht maakte zich nog minder populair toen hij het lef had (in 1966) als gewetensbezwaarde militaire dienst te weigeren, terwijl Amerika in oorlog was met het communistische Noord-Vietnam. Dienstweigeren stond bijna gelijk aan landverraad. „I ain’t got no quarrel with them Vietcong.” Noord-Vietnamezen hadden hem niks misdaan, terwijl Amerikaanse zwarten in eigen land volop werden gediscrimineerd. Het waren de jaren van de rassenrellen in de VS en de opkomst van de Black Power-beweging.

Ali stond voor zijn principes – zei dat hij liever de cel in zou gaan dan vechten in Vietnam. Die houding kostte hem niet alleen zijn wereldtitel (afgenomen door de boksbobo’s); hij werd geschorst en spendeerde noodgedwongen zijn beste jaren, van voorjaar 1967 tot najaar 1970, buiten de boksring.

Doodsbedreigingen

Opeens was hij veel meer dan een sportman. Ali werd een lieveling van de anti-Vietnambeweging en hield spreekbeurten aan universiteiten. Een held van veel jonge, zelfbewuste zwarte Amerikanen was hij door zijn uitgesproken opvattingen over de Amerikaanse maatschappij die zo nadrukkelijk onderscheid maakte tussen blank en zwart. Steun kreeg Ali in die jaren ook uit onverwachte hoek: de Britse filosoof en Nobelprijswinnaar Bertrand Russell correspondeerde met de bokser. Volgens Russell was Ali een van de eersten die werkelijk vrij was, die kon doen en laten wat hij wilde.

Het is een wonder dat Ali de roerige jaren zestig en zeventig ongeschonden doorkwam. Een zwarte Amerikaan die in die tijd opkwam voor de rechten van zwarte landgenoten liep het risico met geweld het zwijgen te worden opgelegd. Dat overkwam prominente voorvechters als Martin Luther King en Malcolm X – hoewel die het slachtoffer was van een afrekening in eigen kring – en ontelbare landgenoten. Onder meer in de aanloop naar zijn eerste gevecht om de wereldtitel, tegen Sonny Liston in 1964, kreeg Ali dreigtelefoontjes: „Als Liston jou niet pakt, pakken wij je.” Van extra politiebeveiliging rond het tweede gevecht tegen Liston, in 1965, na doodsbedreigingen, wilde Ali niets weten. „Allah zal me beschermen. Bovendien ben ik te snel om geraakt te worden door een kogel.”

Louisville Lip

Hoe serieus het onderwerp ook was, altijd was er die knipoog of die ondeugende glimlach. Ali was niet alleen de grootste en de mooiste, hij was ook de grappigste. Maar lang niet iedereen hield van zijn humor. Toen hij in 1966 weigerde in dienst te gaan en in Vietnam te vechten, nam het aantal (conservatieve) Amerikanen dat Ali haatte en dood wenste toe. Er werd gericht op hem geschoten toen hij in 1970 in Atlanta in training was voor zijn comeback, na noodgedwongen 3,5 jaar geen wedstrijden te hebben gebokst. „Vieze zwarte klootzak”, riep een van zijn belagers. Diezelfde avond volgde een telefonische waarschuwing, vertelt Ali in zijn autobiografie The Greatest (1975). „Volgende keer schieten we raak.”

Muhammad Ali liet zich niet tot zwijgen brengen, binnen noch buiten de ring. Zijn mond was als wapen van hetzelfde kaliber als zijn vuisten, zijn snelheid en zijn incasseringsvermogen. Dat leverde hem al snel zijn bijnaam op, de Louisville Lip. Ali was de eerste rapper, decennia voordat er rapmuziek was. Float like a butterfly, sting like a bee (your hands can’t hit what your eyes can’t see) rapte hij met zijn assistent-trainer Drew ‘Bundini’ Brown. Die oneliner werd zijn lijfspreuk.

De snelle bewegingen met zijn voeten in de ring werden bekend als de ‘Ali Shuffle’

Van de 61 partijen die hij als prof bokste, won Ali er 56 en verloor hij er vijf. Driemaal veroverde hij de wereldtitel in het zwaargewicht. Door op onnavolgbare wijze te boksen. Hij imiteerde een aantal van zijn voorgangers, onder wie zijn grote voorbeeld Sugar Ray Robinson. Vooral de snelheid van hun stoten hadden Ali en ‘Sugar Ray’ met elkaar gemeen. Zijn snelle voetbewegingen in de ring werden bekend als de Ali Shuffle; voor het eerst vertoond in het gevecht tegen Cleveland Williams, in 1966.

Ali’s reactievermogen was fenomenaal. Klappen ontweek hij veelal. Omdat hij vroeger op straat met vriendjes vaak met stenen gooide, zei hij later, was hij ook zo goed in het ontwijken van stoten. Een bokser kan nog zo hard slaan, als hij alleen maar lucht raakt, vreet dat energie. Zijn verdediging was niet best, tenminste, die indruk wekte Ali graag. Vaak hield hij zijn armen recht omlaag langs zijn lichaam; een open uitnodiging om hem te raken. Om de man tegenover hem uit te lokken en in zijn val te laten lopen. Sla me maar, je kunt me toch geen pijn doen. Kun je niet harder slaan? Is dat alles?

Snelheid als kracht

Incasseren kon hij als geen ander. Zoals in de Rumble in the Jungle, het legendarische gevecht in 1974 in Zaïre (het huidige Congo) waarin hij de hem ontnomen wereldtitel op George Foreman heroverde. Tegen zijn landgenoot, veruit favoriet, paste Ali een tactiek toe die ‘rope-a-dope’ werd genoemd: achteroverhangend in de touwen maakte hij zich klein. Met zijn vuisten en zijn onderarmen beschermde hij zijn gezicht en in die houding liet hij Foreman op zich in beuken. Totdat die in de verzengende Afrikaanse hitte al zijn krachten had verspeeld en uiteindelijk door Ali knock-out werd geslagen.

Plotseling veranderde hij in dat gevecht van verdediger in aanvaller en toonde hij dat niet zozeer de kracht als wel de snelheid van zijn stoten een gevecht besliste. Vaak ook nog in de ronde die hij voorspelde, op rijm. Het bleef niet bij grootspraak waarmee hij zijn tegenstanders tegemoet trad. ‘If you were surprised when Nixon resigned, just watch what happens when I whup Foreman’s behind!’ Met daden zette hij zijn grote woorden kracht bij.

Muhammad Ali was niet alleen een geweldige vechter in de ring. Hij vocht voor rechtvaardigheid, hij vocht voor ons

President Barack Obama

Maar met zulke teksten maakte Ali niet alleen maar vrienden. Veel boksfans over de hele wereld zaten op de gekste tijden voor de tv – in West-Europa diep in de nacht – in de hoop dat die hondsbrutale bokser een lesje zou worden geleerd. Maar in zijn gloriejaren (1960-1975) was dat een uitzondering. Toen waren alleen Joe Frazier (in 1971) en Ken Norton (1973) hem de baas. In 1978 verloor hij zijn titel aan Leon Spinks, om die in de rematch te heroveren hoewel hij al flink aan kracht en snelheid had ingeboet. Z’n derde wereldtitel verloor hij twee jaar later aan zijn vroegere sparringpartner Larry Holmes. In 1981, 39 jaar oud, vocht hij op de Bahama’s zijn laatste partij. Van de Jamaicaan Trevor Berbick verloor hij op punten. Zijn reactie na afloop: „Niet slecht voor een oude man.”

In zijn hele carrière als prof (1960-1981) werd Ali slechts vier keer tegen het canvas geslagen: twee keer als Cassius Clay (in 1962 door Sonny Banks, in 1963 door de Brit Henry Cooper) en tweemaal als Muhammad Ali (in 1971 door Frazier en in 1975 door Chuck Wepner).

Inspiratie voor anderen

De ziekte van Parkinson sloopte de grootste sportman aller tijden tergend langzaam en ontnam hem zijn spraak, veroorzaakt door de vele klappen die hij incasseerde in een carrière die hij tot een maand voor zijn veertigste verjaardag rekte. Met zijn afscheid ging het met de populariteit van het boksen snel bergafwaarts. Er kwam nog één opleving: Mike Tyson werd in 1986 de jongste wereldkampioen in het zwaargewicht. ‘Iron’ Mike veroverde (voorlopig) als laatste een plaats in de galerij van de beste boksers uit de geschiedenis. Zijn inspiratiebron: Muhammad Ali, die hij ontmoette toen de legende een bezoek bracht aan een jeugdgevangenis in de Bronx, waar Tyson toen rond zijn twaalfde vastzat. Zoals zoveel boksers kende Tyson een jeugd met criminaliteit als rode draad. Ali, afkomstig uit een middenklassegezin in Louisville (Kentucky), vormde een uitzondering op de regel. Waar Tyson in opspraak raakte door agressief gedrag binnen en buiten de ring, leidde Ali een voorbeeldig leven. Hij rookte niet en alcohol was taboe, al ver voor zijn bekering tot de islam.

Niet alleen voor veel boksers was Ali een voorbeeld. Ook voor Barack Obama. Tijdens de verkiezingscampagne werd een foto verspreid waarop aan de muur bij senator en presidentskandidaat Obama de iconische foto te zien is van Ali die tijdens de ‘rematch’ over Sonny Liston gebogen staat, nadat hij die al in de eerste ronde met een ‘phantom punch’ knock-out had geslagen. In 2006, toen hij nog senator was, kreeg Obama een rondleiding in het Muhammad Ali Center in Louisville. Op het feest in januari 2012 in datzelfde complex, ter ere van de 70ste verjaardag van de bokslegende, werd een videoboodschap van de president vertoond. In één zin vatte hij het leven van Muhammad Ali samen, in een variant op Ali’s eigen woorden nadat hij tot ieders verrassing in 1964 wereldkampioen Liston had verslagen: „You shook the world.”

Zaterdag, na het overlijden van Ali, liet de eerste gekleurde president van de VS zich in soortgelijke bewoordingen uit: „Muhammad Ali was de grootste. Punt.”

    • Ward op den Brouw