‘Gelijke kansen? Dat is een illusie’

In een bundel waarschuwen sociologen en politicologen voor een klassensamenleving, waarin het opleidingsniveau van ouders bepalend is.

Stel, je hebt twee even intelligente jongeren: een kind van een bankier en een van een bakker. Wie maakt de meeste kans bankier te worden?

Nog steeds is dat het kind van de bankier, aldus hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer. Toch geloven de meeste Nederlanders dat ze leven in een meritocratie: dat hun plek in de samenleving wordt bepaald door verdienste, niet door afkomst.

Dat is een illusie, blijkt uit een bundel die maandag wordt aangeboden aan minister Bussemaker (Onderwijs, PvdA). In Meritocratie. Op weg naar een nieuwe klassensamenleving? onderzochten sociologen en politicologen in hoeverre Nederland een meritocratie is. Paul de Beer, die de bundel samenstelde met socioloog Maisha van Pinxteren, vat de conclusie samen: „Afkomst speelt nog steeds een veel grotere rol dan we denken.” Deels is dit te verklaren doordat slimme ouders slimme kinderen krijgen, maar ook sociale en culturele factoren spelen een rol.

Deze boodschap horen we de laatste tijd vaker, bijvoorbeeld in het rapport van de Onderwijsinspectie. Is het toeval dat de bundel nu verschijnt?

„Het is min of meer toevallig, de bundel staat los van de huidige discussie. Ik liep al een tijdje met het idee rond. We koesteren in Nederland al lang het ideaal van een samenleving die steeds opener wordt, waarin iedereen gelijke kansen heeft. Tegelijk blijkt uit nieuw onderzoek dat sociale afkomst een grote invloed heeft op de plek waar iemand terechtkomt.”

Wat vindt u de meest opvallende bevindingen uit de bundel?

„Dat de prestaties van kinderen op de basisschool wél steeds meer invloed hebben op hun keuze voor middelbaar onderwijs, maar niet op het eindniveau dat ze bereiken. Prestaties zijn dus niet belangrijker geworden voor je uiteindelijke positie dan dertig, veertig jaar geleden. De invloed van het opleidingsniveau van de ouders blijft erg groot: hoogopgeleide ouders geven bijvoorbeeld veel meer ondersteuning.”

Als tweede belangrijke bevinding noemt hij het voorbeeld van de bankier en de bakker. Wanneer iemands vader een beroep heeft met een hoge status, is de kans dat hij zelf ook zo’n beroep krijgt groter dan bij zijn even hoogopgeleide leeftijdgenoot wiens vader een lagere-statusberoep heeft. „We weten niet precies waardoor dat komt. Ik sluit niet uit dat het sociale netwerk van de vader en de aangeleerde omgangsvormen een rol spelen. Dat is een voorbeeld van een voormeritocratisch mechanisme.”

Toch geloven mensen dat ze hun lot zelf in de hand hebben, blijkt uit de bundel.

„De meritocratische normen worden al decennia breed gesteund. Dat betekent dat de verliezers van de meritocratie hun situatie aan hun eigen falen toeschrijven. Dat maakt het probleem groter, omdat het ervoor zorgt dat er minder mededogen is met mensen die het niet goed doen.”

Geven mensen nu niet juist makkelijk bijvoorbeeld de politiek de schuld?

„Dat is waar, maar je moet dan weer onderscheid maken tussen het feit dat zij zich onderaan de samenleving bevinden, wat zij tot op zekere hoogte accepteren, en de grote achterstand in beloning en status die daarvan het gevolg is.”

De Beer is bang dat de maatschappij verandert in een nieuwe klassensamenleving, waarin dit keer niet het kapitaal van de ouders maar hun opleiding kinderen een enorme voorsprong kan geven. „Hierdoor trekt een bepaalde groep op allerlei terreinen steeds weer aan het kortste eind.” Diverse keren verwijst hij naar Michael Young, de Britse socioloog die in 1958 het boek The Rise of the Meritocracy schreef. „Sommige van zijn voorspellingen zijn opmerkelijk actueel. Zo voorspelde hij de opkomst van een populistische partij die vooral de onvoldoende vertegenwoordigde laagopgeleiden zou mobiliseren. Als je ongelijkheid op deze manier in verband brengt met de opkomst van het populisme, kan ook de VVD zich daar druk om maken.”

In de bundel staan een paar adviezen aan de politiek. Van welke verwacht u zelf het meest?

„Het zou kunnen helpen als in het onderwijs meer ruimte zou zijn voor niet-cognitieve vaardigheden als doorzettingsvermogen, zorgvuldigheid en het vermogen om behoeftebevrediging uit te stellen. Soms is het effect van dat soort vaardigheden even groot als dat van het IQ.”

De oplossingen moeten niet alleen worden gezocht in het onderwijs, vindt hij. Misschien nog wel belangrijker is de arbeidsmarkt. „Het is belangrijk voor mensen dat ze leuk werk kunnen vinden dat geen afbreuk doet aan hun zelfrespect.”

Veel van de voorstellen – loonkostensubsidies, gesubsidieerde arbeidsplaatsen, herinvoering van de middenschool – klinken nogal links. Verwachten jullie hier veel steun voor?

„Waar je de nadruk op legt is altijd een beetje gekleurd door je overtuigingen. Als je echt wil inzetten op niet alleen formele maar ook materiële gelijke kansen, dan kom je op oplossingen die mensen als links zullen zien. Maar volgens mij is het niet links of rechts om te zeggen dat je sociale afkomst niet van invloed mag zijn op je maatschappelijk succes. Dat vinden liberalen ook. Alleen weet ik niet of ze zich daar nu druk over maken.”

    • Floor Rusman