Opinie

Extreem beleid ECB is niet alleen aan ‘Frankfurt’ te wijten

En wederom gaat de Europese Centrale Bank een stap verder. Sinds het begin van de financiële crisis in 2008, die al snel uitmondde in een crisis van de euro zelf, heeft de centrale bank een serie maatregelen genomen die daarvóór als een vorm van monetaire sciencefiction zouden zijn beschouwd.

Eerst werden banken voorzien van geld tegen een rente die daalde naar nul. Daarna kregen zij ook geld voor de langere termijn tegen een nulrente. Daarna ging de ECB over tot de aankoop van staatsleningen van de eurolanden om de rentevoeten voor de langere looptijden omlaag te dringen. Vervolgens werd een belangrijk tarief, de depositorente, verlaagd tot minus 0,4 procent.

En nu, terwijl het opkoopprogram van staatsleningen al is verhevigd en verlengd, zal de ECB ook verhandelbare bedrijfsleningen (obligaties) kopen. Deze actie, overigens binnen het bedrag dat voor de aankoop van staatsleningen was gereserveerd, begint deze week.

Opvallend is dat de centrale bank niet alleen bedrijfsleningen opkoopt die al worden verhandeld, maar ook zal intekenen op nieuwe leningen. Zo wordt zij een directe financier van het grote bedrijfsleven in de eurozone.

De gevolgen van dit beleid zijn al merkbaar. De effectieve rente op staatsleningen is buitengewoon laag en soms al onder nul. Dat geldt ook al voor sommige bedrijfsleningen. Een deel van dit effect is te wijten aan een surplus aan besparingen in de eurozone, en dan vooral in Duitsland en bijvoorbeeld Nederland. Maar de invloed van de ECB-acties is eveneens groot.

Hoewel er veel geoorloofd moet zijn in het bestrijden van de gevaarlijk lage inflatie, en soms deflatie, in de eurozone is de vraag gerechtvaardigd of dit extreme beleid zijn grootste effect al niet heeft gehad, en of méér ook beter is. Bovendien zijn de bijwerkingen van dit monetaire medicijn wellicht al schadelijker dan het middel zelf: op de Nederlandse woningmarkt begint al een nieuwe zeepbel vorm aan te nemen.

Daar staat tegenover dat kritiek op ‘Frankfurt’ voorbij gaat aan het feit dat andere middelen om de crisis te bestrijden niet worden aangewend: hervormingen in landen waar dat hard nodig is, en een passend begrotingsbeleid. Inertie op dit punt, die wijdverbreid is in de eurozone, heeft tot gevolg dat veel, zo niet vrijwel alles, aan crisisbeheersing op het bord van de ECB terecht is gekomen. Er kan over worden gediscussieerd of het monetaire beleid zich op de grens van het toelaatbare bevindt. Maar de schuld daarvan ligt zeker niet alleen bij de centrale bankiers zelf. Zonder flankerend beleid gaan zij ver – misschien wel te ver.