Dokter Ferdie Pacheco (84) wilde dat Ali eerder stopte; vanavond niet welkom op verjaardagsfeest

In Miami komt Ferdie Pacheco de deur bijna niet meer uit. „Ik heb me uit het leven teruggetrokken, mijn vrouw doet alles voor me.” Over Ali praten doet hij liever niet.

De bokswereld beschouwt hem als een buitenbeentje. Ferdie Pacheco hoort in de International Boxing Hall of Fame in Canastota (New York), maar is niet opgenomen in die eregalerij. En dat steekt, al ontkent hij dat luidruchtig. „I don’t give a shit. De Boxing Hall of Fame van wat? Bavianen? Ik heb geen respect voor de mensen die het daar voor het zeggen hebben. Ik ben een Hall of Fame-guy zonder dat ik in de Hall of Fame opgenomen ben.” Hij werkte met Muhammad Ali, dus is hij een topper in het boksen. „Als ringarts de beste.” Zo onbescheiden is hij wel.

Maar Pacheco heeft meer interesses dan boksen. Zijn royale bungalow in Bay Point, een ommuurde villawijk in Miami, hangt vol schilderijen, waarvan sommigen op zijn website (ferdiepacheco.com) te zien zijn. Bijna allemaal van zijn hand. Voor het interview geeft zijn echtgenote Luisita een rondleiding. In een hoek toont ze een paar grote schilderijen die Pacheco maakte van de tv-serie Deadwood. „Gewoon, omdat hij dat een mooie serie vond.”

Opvallend: tientallen militaire helmen en petten, naast elkaar op de bovenste boekenplank. Pacheco is behalve medicus, schrijver en schilder ook historicus. Gespecialiseerd in de geschiedenis van de wijk in Tampa waar hij als nakomeling van Spaanse immigranten opgroeide, de Amerikaanse Burgeroorlog, de Tweede Wereldoorlog en Hollywood.

Pacheco, in een overhemd met het logo van basketbalclub Miami Heat, schetst de oorsprong van zijn culturele achtergrond. Grootvader Pacheco was fluitist in een klassiek orkest en liet zijn kleinkinderen wekelijks naar de radio-uitzending van de Metropolitan Opera Company luisteren. Op zijn negende kende Pacheco de meeste symfonieën. „En elke zondag gingen we naar het museum van de Ringling Brothers. Gingen we op een stoel voor de schilderijen zitten en moesten we vertellen wat we zagen. Grootvader legde dan uit hoe dat schilderij in elkaar zat. I loved it!”

Pacheco schilderde ook boksers, onder meer portretten van Ali en Mike Tyson. Schilderen is zijn belangrijkste tijdsbesteding, met het schrijven van korte verhalen. „Elke keer als ik slaap droom ik een kort verhaal. Dat ik een alien ben, of een Japanse dirigent. Van zijn hand verschenen kookboeken, oorlogsfictie (Who killed Patton?, uit 2004) en boksboeken, waaronder zijn autobiografie Blood in my coffee (2005). Er ligt nog een manuscript van 600 pagina’s, een historische roman over een voorlezer in een sigarenfabriek in zijn geboorteplaats Tampa. „Maar wie wil er nu over tabak en sigaren lezen? En de hoofdpersoon is een intellectueel; niet bepaald een John Wayne – dat maakt het er ook niet makkelijker op om een uitgever te vinden.”

Over de mooiste tijd van zijn leven, als The Fight Doctor, praat hij vooral in algemeenheden. Dat iedereen Ali’s voeten wilde kussen, dat het een voorrecht was met de beste bokser(s) ter wereld te werken en dat het een wonder is dat Ali met z’n grote mond nooit doodgeschoten is.

In zijn biografie vertelt Pacheco dat zijn beslissing zich als arts terug te trekken uit het Ali-kamp een van de moeilijkste uit zijn leven was. „Allereerst omdat ik van die jongen hield, en het schitterend vond deel van de geschiedenis te zijn.”

Het derde gevecht met Joe Frazier, in 1975 in Manila, kostte (winnaar) Ali bijna het leven. Vanaf dat duel „vielen zijn nieren uit elkaar”, stelde Pacheco vast, en waren zijn hersenen „een opgezwollen rotzooi, vol littekens”. Zijn reflexen werden minder en hij begon trager te praten. „Als dokter, wetende wat ik wist, kon ik niet langer blijven.” Ali negeerde zijn advies te stoppen en Pacheco verschoof zijn activiteiten in de bokswereld naar een mooie carrière als co-commentator op tv. Als Ali toen was gestopt, zou hij niet zo zijn afgetakeld, is de overtuiging van Pacheco. Ali ging nog zes jaar door.

Wanneer zag u Ali voor het laatst?

Kalm: „Ik praat niet over Muhammad. Ik zeg niks meer over hem.”

Zijn vrouw mengt zich opeens in het gesprek: „Het doet hem pijn om te zien hoe het nu met hem gaat.”

Iemand zei eens, ‘als er één is die Parkinson kan verslaan, dan is het Ali’.

„Niemand wint van Parkinson. Niemand. Hij zal er aan doodgaan. Maar bij hem duurt het langer, omdat hij groot en sterk is, en omdat hij Muhammad Ali is. Maar hij gaat er aan dood. Dat gaat-ie. En dat is triest.”

Hij is er nog, en bijna 70 jaar oud.

„Maar zijn toestand is slecht.”

In zijn autobiografie vertelt Pacheco over zijn mooiste Ali-moment; Ali die bij de openingsceremonie van de Zomerspelen van 1996 in Atlanta de olympische vlam ontstak. Pacheco zat op de tribune en bad dat Ali, trillend als gevolg van Parkinson, de fakkel niet zou laten vallen. „Dit was Ali ten voeten uit”, schrijft hij in Blood in my coffee. „Geef hem een onmogelijke taak en hij volbrengt hem. Hoe hij dat doet? Volgens mij is hij Gods uitverkoren kind. God zorgt voor hem en beschermt hem, omdat hij naar zijn voorbeeld is gemaakt en zijn gloed uitstraalt. Dat is mijn verklaring. Heb je een betere?”

De Pacheco’s ontbreken vanavond op de gastenlijst van Ali's grote verjaardagsfeest. „Jammer dat we niet uitgenodigd zijn”, mailde Luisita Pacheco deze week. Ferdie Pacheco blijft een buitenbeentje.