‘Bij de derde klap van Clay ging ik neer’

Yvon Becaus is een vergeten sportman. Maar de Belg schreef geschiedenis toe hij vijftig jaar geleden Cassius Clay hinderde op weg naar de eeuwige roem.

Becaus: "Boksen in België? De mensen liepen er niet warm voor." Foto Leo van Velzen/NRC

Rome, Olympische Spelen, 30 augustus 1960. Eerste ronde in het halfzwaargewicht. Yvon Becaus weet nauwelijks wie hij tegenover zich heeft. Als Belgisch kampioen in die klasse (tot 81 kilo) is de 24-jarige monteur uit Wallonië naar Italië afgereisd en daar heeft hij een Amerikaanse tegenstander geloot. Zoals zijn vader, net als de rest van de familie achtergebleven in België, heeft voorspeld. Vader Becaus is ook bang dat zijn zoon klappen zal krijgen. Yvon Becaus kijkt in de ogen van een zekere Cassius Clay, een donkere jongen, achttien jaar oud. De rest is geschiedenis.

Vijftig jaar later kijkt Becaus terug op de dag dat hij verloor van de man die The Greatest zou worden. Daardoor kwam ook zijn naam, weliswaar in kleine letters, in de geschiedenisboeken terecht. Een bekende Belg is hij niet, in tegenstelling tot zijn illustere landgenoot Jean-Pierre Coopman, die in 1976 een pak slaag kreeg van dezelfde man die sinds zijn bekering tot de islam Muhammad Ali heet.

In de woonkamer in Mechelen herinnert een zwart-witfoto aan het sportieve leven van Becaus. Op die foto is hij als twintiger in bokshouding te zien. In korte witte broek, linkerbeen en linkerhand naar voren gericht, hoofd licht naar voren gebogen, zwart haar, ook op borst en benen, en handschoenen die je in het boksen niet veel ziet; met vingers. Becaus is nu 74 jaar en zit in een rolstoel, als gevolg van een verlamming aan de linkerkant van zijn lichaam, veroorzaakt door een herseninfarct. Met zijn rechteroog kan hij niet goed meer zien en ook zijn spraak is aangetast.

„De voorzitter van de boksbond zei op de Spelen dat ik tegen een Amerikaan moest boksen. ‘Hij stelt niet veel voor, pas grand chose’, zei hij tegen me.” Onder de toeschouwers in het Palazzo dello Sport waren genoeg mensen die beter wisten. Zoals de regerend wereldkampioen in het zwaargewicht, Floyd Patterson.

Clay werd een week en drie tegenstanders later, op 5 september 1960, olympisch kampioen; zijn internationale doorbraak. Terug in de VS tekende hij een profcontract dat hem alleen al 10.000 dollar handgeld opleverde. Voor zijn ouders, die vanwege zijn jonge leeftijd mede moesten ondertekenen, kocht hij meteen een roze Cadillac. Tweedehands weliswaar.

Becaus: “Boksen in België? De mensen liepen er niet warm voor.” Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen

Mechelen, 24-08-2010. Yvon Becaus, voormalig bokser.
Foto Leo van Velzen NrcHb.

Becaus was in die tijd een betrekkelijk onbekende sportman, want ook al was hij Belgisch kampioen, boksen stelde in België maar weinig voor. „In België is het nooit groot geweest. De mensen liepen er niet warm voor. Hier draait het om voetbal en wielrennen. Merckx, Rik Van Steenbergen. In Nederland is het toch niet anders, monsieur? Wim van Est, un grand coureur!”

‘M’n vader zei tegen me, ‘stop ermee, want dit leidt nergens toe’, en hij had gelijk’

Toch werd Becaus na zijn snelle uitschakeling op de Olympische Spelen profbokser. Op 24 maart 1961 bokste hij zijn eerste partij als beroepsbokser, in Hamburg, tegen ene Heinz Meinhardt. Hij verloor op punten. Een maand later volgde een nederlaag voor eigen publiek op technisch knock-out, en in november 1962 verloor hij zijn derde achtereenvolgende partij, op knock-out. „Na dat laatste gevecht, in Brussel, zei m’n vader tegen me, ‘gamin, il faut ârreter ça – stop ermee. Want dit leidt nergens toe’. En hij had groot gelijk”, zegt Becaus met een glimlach. „Ik liet me in die tijd voor niks in elkaar slaan. Er viel geen droog brood met boksen te verdienen. Als je werkt wil je toch geld verdienen? Als profbokser is het niet anders. Boksers die rijk geworden zijn, zijn zeldzaam. Zoveel ken ik er niet. Ja, Cassius Clay.”

Becaus werd geboren in Gosselies, een dorp dat decennia na zijn geboorte werd ingelijfd bij industriestad Charleroi. Hij groeide met zijn (jongere) zus op in Jumet, in diezelfde streek. Vader werkte bij de ACEC, de belangrijkste Belgische firma van elektromotoren (voor onder meer treinen en trams) en huishoudelijke apparaten. Zijn vader kwam uit de buurt van Gent. „In Vlaanderen was toen niet veel werk. Dat was er wel in Wallonië, dus daar is hij toen naartoe gegaan. Daar was industrie. En in Gosselies heeft hij mijn moeder leren kennen.” Becaus bewandelde de omgekeerde weg. In De Panne, aan de Belgische kust, leerde hij in 1968 zijn Vlaamse vrouw kennen, ze trouwden en Becaus verhuisde van Wallonië naar Mechelen. Tot aan zijn pensioen pendelde hij tussen Mechelen en Charleroi, waar hij monteur was in de metallurgische industrie. Becaus vertelt hoe hij op veertienjarige leeftijd met werken begon, in een glasfabriek. Hij droeg zware ruiten die door glassnijders op maat waren gemaakt. Eén keer ging het mis. Een ruit die hij droeg ging in stukken en zijn oor werd doorgesneden. Becaus draait zijn hoofd en toont een litteken achter zijn linkeroor. „Met m’n elleboog kon ik nog een afwerende beweging maken. Ik moet een jaar of vijftien, zestien zijn geweest. Ik verloor veel bloed.” Nog meer ongelukken had hij in zijn daaropvolgende baan, als monteur in de metallurgische industrie. „Daar ben ik een keer van een dak gevallen, van zeven meter hoog, op m’n rug. Ik had geluk dat m’n val werd gebroken en ik mankeerde bijna niks. ‘Je had wel dood kunnen zijn’, zei m’n chef. Andere collega’s hebben het er minder goed van af gebracht.”

Vijfentwintig jaar lang, tot aan zijn ‘brugpension’ in 1993, bleef Becaus werken in Charleroi. „Daarom spreekt hij ook geen Nederlands’’, zegt zijn echtgenote Renée. „Hij had dat hier niet nodig, en daar spraken ze Frans.” Elke dag ging hij met de eerste trein naar Charleroi. Die vertrok om vijf uur. ’s Avonds half zeven was hij weer thuis. Soms werkte hij ook in het weekeinde. „Uren kloppen”, zegt zijn echtgenote. „Het is altijd een harde werker geweest.”

Ook Clay/Ali stond ’s ochtends zo vroeg op, al vanaf zijn eerste jaren als (amateur)bokser, om rondjes te rennen in Chickasaw Park, niet ver van zijn ouderlijke woning in een middenklassebuurt in Louisville. Becaus volgde de carrière van de Amerikaan, en stond net als vele miljoenen anderen midden in de nacht op om zijn tegenstander van weleer te zien boksen. Af en toe had hun leven nog een raakvlak. Zo beleefde Becaus net als Ali jaren later een comeback: na zijn drie verloren partijen begin jaren zestig trok de Belg in februari 1971, een maand voor Ali’s verloren ‘gevecht van de eeuw’ tegen Joe Frazier, zijn handschoenen nog één keer aan. „Voor het geld”, zegt hij met een knipoog. „Duizend Belgische francs.” Een grijpstuiver. Becaus was inmiddels getrouwd, maar zijn echtgenote bleef die dag thuis. In Brussel zette hij zowaar de beste prestatie uit zijn korte carrière als prof neer: de partij tegen Louis Croes, die net als hij tot die dag alleen maar partijen had verloren, eindigde onbeslist. Een zekere Déziré Degelaen was zijn trainer en manager. Een oud-bokser, die zijn geld vooral verdiende als machinist op een diesellocomotief. „Ook hij heeft er geen fortuin mee verdiend, ook al had-ie een paar goeie boksers. Of hij van me geprofiteerd heeft? Het was een eerlijke man, en in België viel er niks te profiteren, want met boksen was geen geld te verdienen. Profiteren was onmogelijk.”

Wat kan Becaus zich een halve eeuw later van zijn olympische ervaring herinneren? „Voor de Spelen deed ik mee aan de Europese kampioenschappen in Luzern, waarna ik aangewezen werd voor de Olympische Spelen. Met het vliegtuig naar Rome. Brussel-Rome. We waren met een stuk of vier, vijf boksers; de beste Belgen uit die tijd. Het is goed dat de scheidsrechter de partij [tegen Clay] heeft gestaakt, want hij zag dat ik in de problemen zat. Clay was een danser, hij was erg groot en had een lang bereik met die armen van hem. Hij raakte z’n tegenstanders zo gemakkelijk. Terrible. Ik werd met een rechter neergeslagen, maar daarvoor had ik er twee ontweken. Bij de derde ging ik neer.” Een foto van dat moment staat in het boek Nog altijd de grootste, Muhammad Ali, van Marc Hendrickx (2002). „En toen ik viel, raakte hij me nog een keer met rechts.” Becaus, de man die naar eigen zeggen „een heel snelle linkse” had en veel bewoog in de ring, lag op het canvas. Dat was in de eerste ronde. „Toen de scheidsrechter de wedstrijd stopte, vroeg ik hem waarom. Ik wilde doorgaan.” In de tweede ronde ontweek hij Clay’s uithalen beter, zegt de verliezer in het boek. De scheidrechter zei niks en wees de Belg naar z’n hoek. „Na afloop hebben Clay en ik elkaar de hand geschud. Ik was verslagen en dat was ’t.”

Becaus verbleef door zijn snelle nederlaag maar kort in Rome. „Goed eten was het in het olympisch dorp. Vooral veel. Veel fruit, vlees, kip.” Hij bezocht de bezienswaardigheden in de stad, waaronder de Sint-Pieter. Op eigen houtje; met de andere boksers uit de Belgische ploeg trok hij nauwelijks op. „Het deed mijn moeder verdriet dat niemand me opwachtte op het vliegveld in Brussel, vanwaar ik met de trein naar Charleroi ging. Zo gaat dat met verliezers. Die staan er alleen voor.”

Becaus vraagt naar Ali. „Hoe gaat het nu met hem?” Ali heeft de ziekte van Parkinson, maar hij kan in elk geval nog lopen, al is het moeizaam en meestal met hulp. Nog iets wat Becaus en Ali met elkaar gemeen hebben: ze zijn afhankelijk van hun vrouw. Ali van Lonnie, Becaus van Renée.

De Vergeten Bokser wil nog graag kwijt dat Clay lovend over hem heeft gesproken. „Weet u wat hij over mij heeft gezegd? Dat hij de Belg [op de Spelen] zijn lastigste tegenstander vond.”