Het leven van Muhammad Ali in tien ronden

Van zijn thuisbasis Louisville tot zijn eigen Muhammad Ali Center. Dit is het leven van Ali in tien ronden.

Muhammed Ali in zijn gevecht tegen George Foreman, 1974. Foto ANP

1. Thuisbasis Louisville

Op 17 januari 1942 werd Cassius Marcellus Clay geboren in Louisville, de hoofdstad van Kentucky. Zijn ouders, Cassius sr. en Odessa, gaven hem een christelijke opvoeding. Moeder nam hem op zondag mee naar de baptistenkerk. Zijn vader, die reclameborden schilderde, vond het maar niks dat Cassius zich had bekeerd tot de islam. De Nation of Islam profiteerde van hem, vond Cassius Clay sr.

Met boksen begon hij op z’n twaalfde, in de gym bij het politiebureau in het centrum van Louisville. Zijn fiets was gestolen en toen politieman Joe Martin zag hoe boos Cassius was op de onbekende fietsendief gaf hij hem het advies te gaan boksen. Cassius had één (jongere) broer, Rudolph Arnette, ook wel Rudy genoemd. Met Cassius bekeerde hij zich tot de islam; sindsdien gaat hij als Rahaman door het leven. Aanvankelijk bokste hij ook, en hij maakte deel uit van de entourage van zijn oudere broer.

2. Olympische Spelen in Rome, 1960: de doorbraak

Clay was bang om te vliegen – in de VS nam hij bij voorkeur de trein – en daarom wilde hij niet naar Rome. Z’n eerste trainer, politieman Martin, haalde hem over toch te gaan. De Waalse Belg Yvon Becaus was voor de 18-jarige Clay de eerste hindernis naar de olympische titel in het halfzwaargewicht, de Pool Ziggy Pietrzykowski in de finale de vierde en laatste.

Bij terugkeer in de VS paradeerde Clay in New York met de gouden medaille om zijn nek over Times Square en sliep in het Waldorf Astoria (boven de suite van generaal MacArthur en grenzend aan die van oud-president Hoover). In Louisville werd hij enthousiast onthaald, maar toen hij merkte dat hij als zwarte nog steeds werd gediscrimineerd, gooide hij zijn gouden medaille van de brug in de Ohio-rivier, die Kentucky scheidt van Indiana. Aan de oever van die rivier staat sinds 2005 het Muhammad Ali Center; behalve een museum ook Ali’s missiepost voor vrede en verdraagzaamheid.

3. Achttien jaar: debuut als prof

Een groep blanke ondernemers, de Louisville Sponsoring Group, financierde Clays debuut als profbokser. Van het tekengeld, 10.000 dollar, kocht hij voor zijn ouders een roze (tweedehands) Cadillac. Drie dagen later, 29 oktober 1960, vocht (en won) hij zijn eerste profgevecht, tegen politieman Tunney Hunsaker. Winstpremie: 2.000 dollar. Daarvan ging een deel naar broer Rudy, sparringpartner in de aanloop naar het gevecht.

Nadat hij kortstondig was getraind door oud-boksprof Archie Moore, verhuisde Clay tijdens Kerst 1960 naar Miami. In de 5th Street Gym begon hij aan een levenslange relatie met trainer Angelo Dundee, die begin 2012 op 90- jarige leeftijd overleed, enkele weken nadat hij het feest ter gelegenheid van Ali’s 70ste verjaardag had bijgewoond.

4. Sparren met Ali

Dat de jonge profbokser Clay zich al snel kon meten met ’s werelds beste zwaargewichten, bleek in het voorjaar van 1961. De Zweedse wereldkampioen Ingemar Johansson was naar de VS gekomen voor een gevecht om de wereldtitel tegen Floyd Patterson. In 1959 was hij wereldkampioen geworden door Patterson te verslaan, een jaar later pakte de Amerikaan de titel terug en in ’61 mocht Johansson een poging doen zijn titel te heroveren. Clay leek hem wel wat, als sparringpartner in de aanloop naar dat titelgevecht. Ook mooie pr voor Clay. In hun treffen, met hoofdbescherming en extra dikke handschoenen, maakte Clay de oud- wereldkampioen belachelijk en na twee ronden hield de Zweed het voor gezien. In een tv-interview na die sparring-sessie in het trainingskamp van Johansson in een hotel in Miami Beach zien we een nog betrekkelijk serieuze Clay, die vertelt dat hij niet begrijpt waarom Johansson niet is ingegaan op een aanbod om voor de tv-camera’s een demonstratiepartij te boksen. Hij is bijdehand, maar bluffen en brallen is er nog niet bij.

5. De showman die hem inspireerde: Gorgeous George

Clays toon verandert als hij in juni 1961 kennismaakt met Gorgeous George, een 46-jarige beroepsworstelaar die als geen ander in de Amerikaanse sport aandacht weet te trekken, al sinds de jaren veertig. Dit fenomeen – echte naam George Wagner – draagt opvallende mantels op weg naar de ring, doet krulspelden in zijn lange blonde haar als hij de ring betreedt, laat een helper de krulspelden eruit halen en verschuilt zich tijdens partijen achter de scheidsrechter, tot vermaak van het publiek. ‘De menselijke orchidee’ wordt hij genoemd, en ‘De sensatie van de natie’.

Clay en Gorgeous George ontmoeten elkaar bij een radioprogramma in Las Vegas, voordat Clay daar moet boksen. Ook Gorgeous George heeft tegelijkertijd een gevecht in de gokstad en slaagt er met zijn opschepperij in 15.000 toeschouwers naar zijn gevecht te lokken. „Als ik verlies, dan kruip ik door de ring en knip ik m’n haar af”, zei hij op de radio.

„Maar dat gaat niet gebeuren want ik ben de grootste worstelaar ter wereld.”

Ali vertelde later dat die 15.000 mensen naar het gevecht waren gekomen om Gorgeous George met z’n grote mond een pak slaag te zien krijgen. Want dat had de worstelaar na afloop in zijn kleedkamer ook tegen Clay gezegd: „Veel mensen willen ervoor betalen om te zien hoe je de mond wordt gesnoerd. So keep on bragging, keep on sassing and always be outrageous.” Ali knoopte dat in zijn oren en paste die verkooptruc sindsdien altijd en overal toe. In 2005 noemde het gezaghebbende Amerikaanse sportblad Sports Illustrated Ali de belangrijkste discipel van Gorgeous George.

6. Vietnam-oorlog zonder Ali

President Kennedy stuurde in 1961 de eerste Amerikaanse militairen naar Zuid-Vietnam; driehonderd Amerikaanse helikopterpiloten. Zij moesten de Vietnamezen helpen bij de strijd tegen de communistische guerrilla, zonder zelf mee te vechten. In april 1960, een paar maanden na zijn achttiende verjaardag, werd Clay geregistreerd als dienstplichtige, twee jaar later kreeg hij de classificatie 1-A achter zijn naam – het ideale kanonnenvoer, schreven Felix Dennis en Don Atyeo in 2002 in The Glory Years. Twee jaar later werd hij gekeurd. Hij slaagde eenvoudig voor de fysieke test, maar bij de intelligentietest scoorde hij extreem laag. Veel vragen liet hij noodgedwongen onbeantwoord. Uitslag: inconclusive.

Een paar maanden later volgde een tweede intelligentietest, ditmaal in Louisville. Opnieuw een lage score; te laag om in aanmerking te komen voor militaire dienst. Classificatie 1-Y. Dat zorgde voor een golf van verontwaardiging in het land. Maar, zo werd vanuit het leger benadrukt, Clay kon echt niet beter en ditmaal had hij geen toneel gespeeld. De resultaten kwamen overeen met zijn prestaties op school. „Ik heb altijd gezegd dat ik de grootste ben, niet de slimste”, zei hij later in Playboy.

Maar daarmee was hij nog niet van het leger af. Het aantal Amerikaanse manschappen liep op tot enkele honderdduizenden en de lat voor het kanonnenvoer werd steeds lager gelegd. Begin 1966 – er waren op dat moment ongeveer vijfduizend Amerikaanse militairen gesneuveld in Vietnam – hoorde Ali via een verslaggever dat hij opgeroepen zou worden. Hij maakte meteen duidelijk dat hij daar niks voor voelde. Nog niet eens vanuit geloofsmotieven, zoals hij uiteindelijk zou doen. De Vietcong had hem nooit iets misdaan, dus waarom zou hij de wapens tegen hen opnemen? ‘No Viet Cong ever called me nigger’ en ‘I ain’t got no quarrel with them Viet Cong’ waren destijds zijn meest geciteerde oneliners.

Pas een jaar later, 28 april 1967, werd hij daadwerkelijk opgeroepen. Hij reageerde niet toen hij met zijn oude naam werd aangesproken, Cassius Marcellus Clay, tot twee keer toe. In een schriftelijke verklaring liet hij weten dat hij weigerde dienst te nemen in het Amerikaanse leger, omdat hij daar als een ‘minister of Islam’ niet voor in aanmerking kwam. ’s Avonds verzorgde hij een preek in een moskee in Houston, over het kwaad van varkensvlees. Het eten van varkensvlees tastte de hersenen aan, zo hield hij zijn gehoor voor. Opnieuw een golf van verontwaardiging, zowel onder ouders die hun zoon naar het front in Vietnam zagen gaan als onder het establishment. Net als Joe Louis in de Tweede Wereldoorlog had Ali zijn dienstplicht wellicht kunnen doorkomen met demonstratiepartijen, maar ook daar wilde hij zich niet voor lenen. Hij vond dat er eerst maar eens wat gedaan moest worden aan de rechten van zwarten in eigen land.

Trainen deed hij nog wel eens in legerlaarzen, maar verder wilde Ali niet gaan. Ali betaalde een hoge prijs voor zijn principes. Nog diezelfde dag in april ’67 werd hij geschorst als bokser en werd hem zijn wereldtitel afgenomen. Twee maanden later volgde een veroordeling voor dienstweigering: vijf jaar gevangenisstraf en een boete van 10.000 dollar. Hij ging in beroep en zou pas in 1970 door het Amerikaanse Hooggerechtshof worden vrijgesproken. Maar Ali was bereid om desnoods zijn straf als gewetensbezwaarde uit te zitten, zo maakte hij na het eerste vonnis duidelijk: ‘Clean out my cell, and take my tail, on the trail, for the jail, without bail, because it’s better in jail, watchin’ televison fed, than in Vietnam somewhere dead.’

7. Bijzondere tegenstanders

Zijn gevecht tegen George Foreman in Kinshasa, in het toenmalige Zaïre, was misschien wel het meest legendarische uit de moderne boksgeschiedenis: de Rumble in the Jungle. Foremans naam zal altijd verbonden blijven met die van de man die hem in 1974 op spectaculaire wijze zijn wereldtitel ontnam, en die zichzelf weer kroonde tot ‘King of the World’.

Ali’s naam wordt ook in één adem genoemd met Joe Frazier. Die bokslegende uit Philadelphia overleed eind 2011, na een kortstondige leverziekte. Met Ali was Frazier een exponent uit een periode met relatief veel en bijzondere zwaargewichten. Driemaal stonden Ali en Frazier tegenover elkaar. Frazier won de eerste keer, het Gevecht van de Eeuw, in Madison Square Garden in 1971.

Hij bezorgde Ali zijn eerste nederlaag. Drie jaar later, eveneens in New York, won Ali op punten en in 1975, tijdens wat de Thrilla in Manilla werd genoemd, besloot Fraziers trainer na de veertiende en voorlaatste ronde dat het genoeg was. Beide boksers hadden gestreden op leven en dood.

Ali had in zijn profcarrière twee tegenstanders uit de Lage Landen tegenover zich. In 1973 bleef de Nederlander Rudi Lubbers in Jakarta de volle twaalf ronden overeind tegen de uiteindelijke winnaar Ali, in ’76 had Ali geen kind aan de Belg Jean-Pierre Coopman. Die was aangekondigd als de Leeuw van Vlaanderen, Ali noemde hem het Poesje van Vlaanderen. Drie keer trof Ali ook oud-marinier Ken Norton. De eerste keer won Norton, Ali verliet de ring met een gebroken kaak.

8. Muhammad Ali: de films

Nog tijdens zijn actieve carrière werd zijn leven verfilmd, The Greatest, in 1977, op basis van het gelijknamige boek. Ali speelde zichzelf, met zichtbaar plezier. Ernest Borgnine nam de rol van zijn trainer, Angelo Dundee, voor zijn rekening. Ali had toen al filmervaring. Zo speelde hij al in 1962, nog voordat hij de wereldtitel won, mee in wat een boksklassieker zou worden: Requiem for a Heavyweight, met in de hoofdrol Anthony Quinn. Boksscheidsrechter Arthur Mercante (die in 1971 de eerste van drie wedstrijden tussen Ali en Frazier zou leiden) was in dienst als adviseur. De producer van de film had hem gevraagd een jonge, veelbelovende bokser te zoeken die in de ring tegenover hoofdrolspeler Quinn zou kunnen staan. Mercantes advies om Cassius Clay voor die rol te vragen werd opgevolgd, ook al schrok de producer volgens Mercante toen hij erachter kwam dat Clay een zwarte bokser was. De film opent met troebele beelden van Clay, door de ogen van Quinn. Clay slaat Quinn knock-out. In 2001 verscheen de ‘biopic’ Ali, van regisseur Michael Mann, met in de hoofdrol Will Smith als Muhammad Ali.

9. Lezen over Ali: de boeken

Ali’s biografie verscheen in 1975: The Greatest. Die ene keer in zijn leven dat hij naar Nederland kwam, bezocht hij Amsterdam (rondvaart door de grachten) en Volendam, ter promotie van de Nederlandse vertaling van zijn boek. De Amerikaan Thomas Hauser schreef aan de hand van interviews de meest complete biografie, in 1991, Muhammad Ali: His Life and Times.

Bijzonder zijn ook The Fight (1975) van Norman Mailer, opgetekend rond de Rumble in the Jungle, David Remnicks King of the World (1998), Ghosts of Manila (2002) van Mark Kram, Redemption Song: Muhammad Ali and the Spirit of the Sixties (1999) van Mike Marqusee, Facing Ali (interviews met vijftien tegenstanders van Ali) van Stephen Brunt (2003), Muhammad Ali: The Glory Years (Felix Dennis en Don Atyeo), een hoogtepunt in zwart-wit op stoeptegelformaat dat in afmetingen alleen overtroffen wordt door GOAT (Greatest Of All Time) van uitgeverij Taschen, waarvan een beperkte oplage verscheen met werk van Jeff Koons en fotograaf en Ali’s beste vriend Howard Bingham. Maar liefst 780 pagina’s, 34 kilo zwaar, 50 bij 50 centimeter; nieuw nog te koop voor 6.000 dollar (ruim 5.000 euro).

Zeer informatief en handzaam is The Rough Guide to Muhammad Ali, een encyclopedisch werkje en net iets groter dan de Enkhuizer Almanak, voor iets meer dan een tientje.

10. Zijn missiepost: het Muhammad Ali Center

In zijn geboorteplaats Louisville leeft de bokslegende voort in het Muhammad Ali Center. The Greatest – het voelt alsof hij elk moment naast je kan staan. Hij is overal aanwezig in het gebouw, n z’n eigen museum dat het Muhammad Ali Center wordt genoemd. Na de Kentucky Derby, de grootste paardenrace in de VS elk jaar in mei, is het zes verdiepingen tellende Ali Center de grootste publiekstrekker van Louisville, de stad die al langer een Muhammad Ali Boulevard kent.

In het complex van 80 miljoen dollar, geopend in 2006, kun je films van vijftien oude bokspartijen van Ali activeren, door een schermpje met een afbeelding van de toegangskaart an de betreffende wedstrijd aan te raken. Er zijn talloze foto’s uit zijn turbulente periode als profbokser (1960-1981), vele onderscheidingen, attributen zoals de wandelstok die Ali in 1974 cadeau rond zijn gevecht tegen George Foreman cadeau kreeg van de Zaïrese dictator Mobutu. En overal hoor je zijn stem. Die van de luidruchtige Cassius Clay, de Louisville Lip. En die van Muhammad Ali, de tot moslim bekeerde bokser die de islam aanprijst, die weigert in Vietnam te vechten en z’n wereldtitel kwijtraakt, die 3,5 jaar de ring niet in mag en uitgroeit tot een door de Verenigde Naties benoemde ‘boodschapper van de vrede’.

Vanuit het Ali Center kijk je uit over de brede rivier de Ohio – met raderboten – die Kentucky van Indiana scheidt, en zie je vlakbij , aan de rechterkant, de brug waar de jonge bokser volgens een niet op feiten gebaseerd verhaal in 1960 zijn pas veroverde gouden olympische medaille in het water zou hebben gegooid omdat zelfs een olympische titel geen garantie was om met respect te worden behandeld in zijn geboortestad. Cassius Marcellus Clay mocht dan als 18-jarige in Rome olympisch kampioen (in het halfzwaargewicht) zijn geworden, bij terugkeer in Louisville werd hij weer op zijn huidskleur beoordeeld. In een deels nagebouwde entree van een restaurant in het Center hoor je een winkelbel rinkelen, gevolgd door de stem van de blanke bedrijfsleider: „We don’t serve your kind in here. Get out!”

Kinderen – Ali was er gek open Ali is altijd gek geweest op kinderen. In het Center kunnen ze kennismaken met zes waarden die Ali uitdraagt: respect, vertrouwen, overtuiging, toewijding, geven en spiritualiteit. Een kwart van het Center is gericht op onderwijs, met twee klaslokalen en een collegezaal. Bijzonder is ‘de muur van hoop en dromen’; 5.000 tegeltjes beschilderd door kinderen uit 141 landen. Een vreedzame wereld, dat is waar Ali zich voor inzette. In het Ali Center leeft zijn boodschap voort: een betere wereld begint bij jezelf, bij een sterke persoonlijke ontwikkeling. En je kunt meer dan je denkt.

In het Muhammad Ali Center werden de afgelopen jaren uit naam van de man die ontelbare onderscheidingen kreeg – van sportman van de eeuw tot de Presidential Medal of Freedom van president George W. Bush – de Muhammad Ali Humanitarian Awards uitgereikt, aan mensen die zijn waarden het best uitdragen. Die traditie zal blijven bestaan. Maar in het Ali Center kun je ook voor meer alledaagse activiteiten terecht . Zo wordt de bovenste verdieping regelmatig verhuurd voor bruiloften. Daarvoor wordt de bovenste verdieping verhuurd. „Hoeveel dat kost?”, zei toenmalig directeur van het complex, Michael J. Fox in 2007 desgevraagd. „Het is in elk geval veel goedkoper dan een scheiding.”

    • Ward op den Brouw