Nog even en iedereen is boos op iedereen

De leider van het CDA wil alleen regeren als hij een samenleving kan maken die minder draait om ego en eigen opvattingen. „Zolang de vrijheid van meningsuiting het hoogste goed is, wordt het niets.”

Als het op publieke optredens aankomt, is Sybrand van Haersma Buma een aparte politicus. Debatteren vindt hij leuk. Een speech gaat ook nog wel. Maar op campagne ziet hij er altijd wat ongemakkelijk uit en zijn televisieoptredens gaan soms stroef. Dat komt, zegt Buma, omdat zijn grappen niet altijd overkomen.

In Den Haag staat de CDA-leider bekend om zijn droge humor: geestige statements die hij met een stalen gezicht verkondigt en waarbij niemand helemaal zeker weet wanneer hij het meent. „Dat is op tv niet makkelijk, want gelaagdheid past daar niet”, zegt Buma.

Het overkwam hem weer eens rond de jaarwisseling. Nieuwsuur vroeg hem te speculeren over hoe de wereld er in 2050 uit zou zien. Zijn er dan bijvoorbeeld kolonies op Mars? Buma reageerde sceptisch. „Mogelijk zijn er wat plukjes bewoners op andere planeten, maar ik zie geen wereldbevolking die zich verplaatst.” Na de opnames vroeg een redactrice of hij dat had gezegd uit religieuze overwegingen: omdat we op Mars te dicht bij God zouden komen? „Nee”, antwoordde Buma. „Wij christenen weten: God woont veel verder weg, twee planeten voorbij Pluto.”

Toen moest Buma uitleggen dat hij een grapje maakte. „Als het was uitgezonden, had ik vast allemaal boze mailtjes gekregen: wat ben jij een ouderwetse christen. Of: meneer Buma, er zíjn helemaal geen planeten voorbij Pluto. Ik moet oppassen met dat soort dingen.” Want midden in een verkiezingscampagne kan een misstap of misverstand fataal zijn.

Deze zaterdag wordt Buma (50) voor de tweede keer aangewezen als CDA-lijsttrekker bij de Tweede Kamerverkiezingen. De eerste keer, in 2012, was bepaald geen succes. Het CDA, verscheurd door de gedoogcoalitie met de PVV, zakte onder zijn leiding weg naar dertien Kamerzetels. Na dit historische dieptepunt restte niets anders dan op krachten komen in de oppositie.

Dat heeft goed uitgepakt, vindt Buma. Na bijna vier jaar oppositie heeft het CDA weer zelfvertrouwen. Peilingen laten slechts een zetel of vijf winst zien, maar het moddergooien binnen de partij is gestaakt en er is grondig nagedacht over waartoe het CDA op aarde is. Volgens Buma zijn de christen-democraten omgevormd van bestuurderspartij tot „ideeënpartij”. „Het besef is gekomen dat het CDA niet een partij is die pas tot leven komt als we regeren. We moeten onze plek soms ook bevechten.”

In de afgelopen periode stelde het CDA zich soms hard, soms meegaand en meestal onvoorspelbaar op tegenover het kabinet-Rutte II: geen rol als gedoogpartner, wél steun aan een grote belastingverlaging. „De buitenwereld denkt vaak nog: je hoeft het CDA niet te vragen wat ze willen, ze doen toch wel mee. Het gevolg daarvan zou zijn dat we straks nog één Kamerlid en één minister hebben. Er zijn ongetwijfeld nog één of twee leden die denken: het CDA moet altijd regeren. Maar die tijd is gewoon voorbij.”

Andere partijen gaan er voetstoots vanuit dat het CDA straks gewoon in het kabinet zit. Niet omdat de partij dat graag wil, maar omdat de versnippering in de Eerste Kamer en de weigering van de meeste partijen – inclusief het CDA – om met de PVV samen te werken, vraagt om een coalitie van minstens vier partijen.

Regeringsdeelname is voor het CDA toch een formaliteit?

„Nee. Ik zeg van tevoren: het kan zijn dat we meedoen, het kan ook dat we het niet doen. Het kan pas als wij iets in de melk te brokkelen hebben, als we echt een andere samenleving kunnen maken dan die gekkigheid van nu.”

Met die „gekkigheid van nu” doelt Buma op het thema dat hem zeer aan het hart gaat: de verabsolutering van de vrijheid van meningsuiting, met gescheld en gedreig in het publieke debat als gevolg. Volgens hem komt dat door „de liberale dominantie van dit moment” en de „totale individualisering van de samenleving”, aangewakkerd door partijen als VVD en D66.

Betekent dat dat u de vrijheid van meningsuiting wilt begrenzen?

„Er zíjn grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Je kunt niet alles zeggen. Er bestaat geen recht op beledigen. Sterker nog, belediging staat in het wetboek van strafrecht. Natuurlijk, je mag ontzettend veel zeggen in Nederland. Er wordt weinig vervolgd, en dat vind ik ook goed. Maar het strafrecht is vooral een stok achter de deur. Het begint bij de morele orde.

„De vrijheid van meningsuiting komt voort uit de gedachte dat je alleen een vreedzame, geordende samenleving krijgt als je een competitie van ideeën hebt. Maar van een middel om democratie te bevorderen, is het veranderd in het hoogste individuele recht. Zonodig ten koste van anderen. Het lijkt alsof de vrijheid van meningsuiting bedoeld is om zo hard mogelijk te stampen. Veel Nederlanders denken: ik ben pas echt vrij als ik alles kan zeggen wat ik denk.

„Maar dat is helemaal niet zo. In de samenleving willen we rust en vrede, geen chaos en geweld. We weten dat woorden die steeds extremer worden daartoe kunnen leiden. Dan is iedereen boos op iedereen. Straks moet de ene helft van Nederland bewaakt worden tegen de andere helft.”

Politici zijn volgens Buma hoofdverantwoordelijk voor de escalatie van het debat. „De verruwing rond Fortuyn, begin deze eeuw, had nog enig doel: het immigratieprobleem benoemen en politieke correctheid doorbreken. Nu zie ik de toegevoegde waarde niet. Politici hebben een voorbeeldfunctie. Op sociale media denken mensen: als een politicus het half zegt, mag ik het heel zeggen.

„Vorige week kreeg premier Rutte vragen over de racistische reacties op Sylvana Simons. Hij zei: we moeten niet zulke harde taal bezigen. Maar vervolgens zei hij ook: wie dat wel doet, is een tokkie, gestoord, een idioot. Dat zei een premier vóór hem nooit. Je kunt ook adresseren wat er fout is, zonder meteen personen als idioot te kwalificeren. Wat Rutte zaait, gaat hij oogsten.”

Hoe bewaakt een politicus de grens van wat je wel en niet mag zeggen? Voor je het weet ben je van de gedachtenpolitie.

„Ja, maar dat moet geen vrijbrief zijn om niets te doen. Kijk gewoon naar jezelf. Je bent toch meester over je eigen woorden? Ik weet toch wanneer iets beledigend of onnodig kwetsend is? Het komt niet eens in me op om iemand een tokkie te noemen of een idioot. Zo ben ik niet opgevoed.

„Ze zeggen: in het parlement moeten we meer praten zoals op straat. Maar op straat vinden ze volgens mij ook dat politici te ver gaan. Óók de PVV-kiezers.”

U zegt dat er een grens is, maar u wilt deze zelf niet trekken?

„Politiek is juist ook een morele ordening. Iedereen ziet het probleem. Maar de oplossing van het probleem – let op je morele grenzen – pikt niemand.

„ Zolang de vrijheid van meningsuiting in onze samenleving het hoogste goed is, wordt het niets. In 2009 zei Rutte: beledigen en haatzaaien moeten uit het wetboek van strafrecht. Je moest ook ongestraft de Holocaust kunnen ontkennen. Dan voed je de gedachte dat vrijheid van meningsuiting belangrijker is dan andere rechten. Maar hij is niet consequent. Haatzaaien moet van Rutte uit het wetboek, totdat een imam het doet. Ik ben het ermee eens dat een haatzaaiende imam het land uit moet. Maar dan mag níemand haatzaaien.”

Komt het echt alleen maar door de individualisering? Mensen die schelden zijn vaak mensen die zich juist erg identificeren met een groep: witte Nederlanders, moslims.

„De gedachte is: ‘ik spreek namens iedereen, dus is het waar’. Maar die groep als geheel vindt dat helemaal niet leuk.”

U heeft zich uitgesproken voor ‘gezonde vaderlandsliefde’ als tegenwicht van individualisering. Wat bedoelt u daarmee?

„Een samenleving heeft iets gemeenschappelijks nodig. We zijn niet 17 miljoen toevallige passanten die allemaal belasting betalen. Je wil méér zijn. Wat ons in Nederland verbindt is de geschiedenis en de waarden die eruit voortkomen. Iedereen in Nederland mag denken wat hij of zij wil. Dat was vier eeuwen geleden al zo. In de rest van Europa dacht niemand er toen nog zo over. Daar mogen we trots op zijn.”

Hoe wil Buma die ‘gezonde vaderlandsliefde’ kweken? Onder meer door ‘burgerschap’ verplicht te stellen als schoolvak. „Er is gebleken dat scholen die dat onderwijzen minder last hebben van radicalisering. Want dan ga je elkaars motieven beter snappen.”

Over de invulling van het schoolvak is Buma nog wat vaag. Het moet in ieder geval niet, zoals maatschappijleer, vaststellen dat er vrijheid van meningsuiting is. Maar uitleggen waarom het er is. En historische locaties te bezoeken waar vrijheid verkregen werd. Een voorbeeld: het Plakkaat van Verlatinghe, de tekst waarmee de Nederlandse provinciën zich in 1581 afscheidden van de Spaanse overheerser. „Dat ligt weggestopt in een vitrine onder een kleedje in een gang van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Niemand weet dat. De enige die het onlangs nog te zien heeft gekregen, was de Amerikaanse president Obama. We moeten dat toch koesteren? Dat soort plekken moet open, daar moeten schoolklassen naartoe.”

Immigranten moeten van Buma een „verplichtende uitnodiging” krijgen om de Nederlandse normen en waarden door te geven aan hun kinderen. „Anders wordt immigratie niets anders dan toevallig je huis hier planten. Je mag je geloof en je gebruiken meenemen – dat is vanzelfsprekend. Maar wel binnen het kader van wat hier in de loop der eeuwen is opgebouwd. En dat is een joods-christelijke traditie. Al onze normen en waarden komen voort uit het christendom.”

Sybrand Buma zit sinds 2002 in de Tweede Kamer, maar eigenlijk weten we weinig van hem. Waar andere politici hun gezin (Diederik Samsom) of persoonlijke geschiedenis (Jesse Klaver) inzetten in campagnes, is Buma terughoudend met privéverhalen. Hij komt uit Friesland, studeerde rechten in Groningen, woont in Voorburg, houdt van wielrennen en heeft een vrouw en twee tienerkinderen. Dat is wat we weten. Het enige gezinslid waarover hij heeft getwitterd was zijn konijn.

Die terughoudendheid laat Buma nu voorzichtig varen. Hij is gaan inzien hoezeer zijn politieke opvattingen voortkomen uit zijn opvoeding en familiegeschiedenis. Hij groeide op als telg van een protestants Fries patriciërsgeslacht: vader burgemeester, grootvader burgemeester. In zijn opvoeding draaide alles om dienstbaarheid en de gedachte dat je niet beter was dan de ander. Compleet tegengesteld, zegt Buma, aan het Nederland van nu – waar het vooral draait om het eigen ego en de eigen opvattingen.

Toen zijn vader burgemeester was van Sneek, kwamen er regelmatig mensen aan de voordeur met hun klachten. „Het soort mensen dat Mark Rutte nu ‘tokkies’ noemt. Die mensen hadden hele grote zorgen en liepen soms al leeg tegen mij, een jongetje van tien. De regel was: altijd beleefd blijven, helpen als je kunt.”

Die dienstbaarheid was in de familie letterlijk een kwestie van leven en dood. Vorig jaar vertelde Buma op een 4 mei-herdenking voor het eerst over zijn grootvader, die ook Sybrand heette. Toen de Duitsers binnenvielen, was hij burgemeester van de Friese gemeente Wymbritseradeel. Hij sloot zich aan bij het verzet, werd gearresteerd en belandde in concentratiekamp Neuengamme, waar hij in 1942 overleed. Diens zoon realiseerde zich dat hij zijn vader nooit meer zou terugzien toen hij als tienjarig jochie bij het postkantoor een voedselpakket moest afhalen. De familie had dat naar het kamp gestuurd, maar het kwam retour afzender – adressant verdwenen.

Thuis werd er weinig over gesproken dat grootvader Sybrand was omgekomen in de oorlog. „Het hing wel altijd boven het gezin van mijn vader, zijn zussen, en zijn moeder”, zegt Buma. „Zo’n trauma duurt zeker een generatie, dat zul je ook zien bij de nabestaanden van MH17 of vluchtelingen uit Syrië. Maar wij mochten niet als een soort held over hem spreken. Het idee was: in een oorlog gaan mensen in het verzet en dan gaan vaders dood.”

Buma heeft vooraf met zijn vader besproken of hij het verhaal wel zou vertellen. „Dat ik hier over spreek, betekent echt dat ik een horde over ben gegaan. Maar we moeten inzien dat dit land ook is gebouwd door mensen die zo’n verantwoordelijkheidsbesef hadden dat ze hun leven hebben gegeven.

„Voor mij kwam het besef hoe moeilijk mijn grootvaders keuze werkelijk moet zijn geweest toen ik zelf zo oud was als hij toen hij stierf. Ik had kinderen van zeven en acht. Toen kwam de ethische vraag op die we thuis nooit hadden besproken: wat zou je zelf doen? Ik dacht voor het eerst: zó, dat is een beslissing geweest. Dat je onderduikers helpt, terwijl je weet wat dat kan betekenen. En dingen zegt die verboden zijn, bijvoorbeeld dat Oranje het wettige staatshoofd is. Dát is pas vrijheid van meningsuiting.”

En, wat zou u doen?

„Ik kan die vraag niet beantwoorden, want ik weet het niet. Ik denk dat mijn grootvader het een jaar van te voren ook niet wist. Maar ik ben opgevoed met de gedachte dat het volkomen normaal is dat je in het verzet gaat. Ik besef dat de grond waarop wij staan echt op die manier bevochten is.”

    • Merlijn Doomernik
    • Thijs Niemantsverdriet
    • Emilie van Outeren