Opinie

    • Jan Kuitenbrouwer

Lagere drempel, bredere attractie – heel, eh, spannend

De Welwillenden, een drie uur durende coproductie van Toneelgroep Amsterdam en Toneelhuis Antwerpen, naar het gelijknamige boek van Jonathan Littell, werd voorafgegaan door een inleiding. Als wij ons in de oorlogsmaand nog eenmaal moesten onderdompelen in het bloed, zweet en tranen van de vorige wereldoorlog, dan maar meteen goed, redeneerden wij.

Achteraf was het misschien iets té veel, een inleiding van één uur en een voorstelling van drie uur.

Toch miste het geheel zijn uitwerking niet, want toen we na afloop gingen eten in een Kantonees restaurant, waar ik een groep Chinezen aan zo’n grote ronde tafel met draaischijf zag zitten, dacht ik toch aan een wereld waarin wij hen in gaskamers zouden stoppen, of zij ons.

De culturele sector innoveert noodgedwongen door de bezuinigingen, maar misschien is dat te cynisch. Waarom zou het geen oprechte vernieuwingsdrang zijn?

De glossy stijl waarin het Concertgebouw tegenwoordig adverteert, zou twintig jaar geleden ondenkbaar zijn geweest. Kunstenaar Barbara Hepworth, van wie onlangs een grote overzichtstentoonstelling in het Kröller-Müller werd gehouden, wordt in een radiocommercial omschreven als ‘een van de meest succesvolle beeldhouwers van de twintigste eeuw’. Nog niet zo lang geleden zou zij in zo'n spotje zijn omschreven als een van de belangrijkste beeldhouwers van de twintigste eeuw. Ook doen theaters steeds meer aan ‘randprogrammering’. Voor en na het hoofdprogramma zijn belendende activiteiten: een inleiding door een deskundige, een nazit met de makers. Je verlaagt de drempel, verbreedt de attractie – „en toen hebben we nog even nagepraat met Pierre Bokma. Hij was heel aardig” – en je houdt de bar langer open.

De Welwillenden werd ingeleid door een dramaturgie-stagiaire van Toneelgroep Amsterdam. Vol enthousiasme maakte zij ons deelgenoot van wat zij had geleerd over de Tweede Wereldoorlog als onderwerp in film en literatuur, en hoe het vertelperspectief via het werk van Primo Levi en films als Shoah en Schindler’s List geleidelijk was verschoven van slachtoffer naar dader. Met als voorlopige eindpunt dus de roman van Jonathan Littell. Die vooral in Frankrijk heel wat stof deed opwaaien, legde zij uit, juist vanwege dat daderperspectief.

'Daderperspectief', het is zo’n academische term die als een askegel van je sigaret valt.

De achterwand van het decor van De Welwillenden is een verweerde archiefkast van zo’n acht meter breed en vijf meter hoog, met tientallen deurtjes. In de krant stond een foto, een indrukwekkend, sinister ding dat ik graag in het echt wilde zien. Ik had mij voorgesteld welke betekenis hij in dit verhaal zou aannemen: hokjesdenken, rassentheorie, het geheugen, verkokering, een grafmuur.

De kast, legde de dramaturge uit, is een metafoor, beeldspraak dus, voor de bureaucratie van het Derde Rijk. Voor Het Systeem, zeg maar. Dan wisten wij dat vast. O ja, en met die kast ging aan het eind nog iets heel, eh, spannends gebeuren. Wat, dat kon zij natuurlijk niet verklappen, dat moest een verrassing blijven.

Ik kreeg het gevoel alsof ik weer op de lagere school zat. De meester heeft opdracht gegeven het licht uit te doen en elk moment kan het opwindende gesnor van de filmprojector klinken. Kijk, daar is Donald Duck, hij gaat een tochtje maken, in zijn auto. Hij is natuurlijk geen echte eend, zegt de meester, maar een getékende eend, die helemaal geen auto kán rijden! En daar zijn Kwik, Kwek en Kwak. Die staan voor Geloof, Hoop en Liefde. Nee, Rust, Reinheid en Regelmaat. Of was het Moed, Beleid en Trouw?

    • Jan Kuitenbrouwer