Gratis

Nadat ik de hele dag met twee collega’s in een bos een gesprek van een paar minuten gevoerd had en dat van alle kanten gefilmd was, reed ik rond half acht in de avond een bedrijventerrein in Amsterdam Noord op. Er is daar een straat waar je nog gratis kan parkeren. Ik heb een oud Smartje dat ik eigenlijk moet verkopen, maar omdat ik niet weet hoe zoiets gaat, een auto verkopen, en vrees dat het met veel bellen, mailen en afspreken met vreemde mensen gepaard gaat, staat hij al een tijdje daar.

Ik ging kijken of hij nog intact was. De zon was na de halve dag verstopt te hebben gezeten maniakaal schijnend achter de wolken tevoorschijn gekomen en dat maakte het benauwd. Een beetje alsof je door een clown gekeeld wordt. Zo hier en daar fietsten mensen. Mannen ook, met een broodtrommel onder de snelbinders. Ik moest aan mijn dochter denken, die bij haar vader was. Die de helft van de tijd bij haar vader is. Een half leven. In de lege helft doe ik soms nuttige dingen, zoals op bedrijventerreinen kijken of mijn auto er nog staat. Om de hoek van de gratis straat passeerde ik een grote blauwe auto die midden op de weg stond. Een vrouw stapte bruusk uit de bijrijderskant. Daarop stapte aan de bestuurderskant een man uit. Hij keek schuldig. Zoals mijn kat kijkt als hij mijn telefoon van tafel gooit, hoewel mijn kat schuldgevoel ook heel listig met leedvermaak weet te vervlechten.

Ik reed door en sloeg de hoek om de straat in. Gelukkig. Daar stond ’ie. Alle ramen waren heel en ook de banden waren niet plat. In de auto lag nog een kunstwerkje van mijn dochter. Met watten als wolken. Ook lagen er nog twee krukken in, van toen ik anderhalf jaar geleden mijn voet gekneusd had. De krukken huurde ik van het ziekenhuis. Even ging er een steek door me heen. Zo’n steek van vergeten bibliotheekboeken, verloren gymkleren of een werkstuk dat al weken ‘Morgen, echt morgen juf!’ zou worden meegenomen, als het af was geweest.

Als kind liep ik maanden met buikpijn rond door dit soort dingen, maar nu weet ik zo’n steek vrijwel direct te negeren. Ik ken de omwegen en short cuts in mijn hoofd. En anders is er altijd wijn. De auto startte. Gelukkig.

Ik stopte het kunstwerkje in mijn tas toen de vrouw van de blauwe auto langs liep met een stevige tred. De man kwam haar achterna gerend en maande haar tot stoppen. Ze draaide zich om, klemde haar tas tegen zich aan. Ondanks de grijze uitgroei van haar kapsel leek ze een klein meisje. Totdat hij voor haar kwam staan en tegen haar begon te schreeuwen, toen rees ze op en beet ze venijnig terug. Hij werd flink op zijn plaats gezet, dat was duidelijk. Na nog wat dreigende blikken naar haar te werpen liep hij terug naar zijn auto. Zij vervolgde haar weg. Ik stapte snel in mijn andere auto en reed langs haar. Dat is toch niets zo alleen op een bedrijventerrein, met zo’n man in je kielzog. „Wil je een lift?”, vroeg ik. Ik klonk als een vieze enge man. „Nee hoor, dank je”, zei ze verrassend monter. „Wacht eens even, ben jij die ene actrice?” Ik schaamde me en zei „ja”. Maar ik wist helemaal niet of dat waar was, welke actrice ze bedoelde. Ik word erg vaak Katja of Froukje genoemd. Na een ongemakkelijk moment van verwarring ben ik heel hard weggereden.

    • Georgina Verbaan