Eindelijk! Een van de studenten heeft geprobeerd ons te vermoorden

Hope Jahren, hoogleraar geobiologie aan de universiteit van Hawaii, heeft jarenlang de wetenschappelijke artikelen geschreven die ze moest schrijven, „in een taal die heel weinig mensen kunnen lezen en die niemand ooit spreekt”. Nu heeft ze het verslag gepubliceerd dat ze wilde schrijven: haar memoires uit het lab.

In Lab Girl beschrijft ze niet alleen haar onderzoek naar de vraag waarom planten zo succesvol zijn op aarde, maar vooral haar eigen leven. En toen ik het boek voor de tweede keer las, gebeurde er precies hetzelfde als de eerste keer: in het begin ergerde ik me wild. „Er is zeshonderd keer zoveel leven op het land als in de oceaan, en dat komt vooral door planten”, schrijft Jahren bijvoorbeeld in de proloog. O ja? Zeshonderd keer zoveel wát precies? Organismen? Soorten? Levende massa? En hoe weet ze dat? Er staat geen referentie bij.

En dan de pathetiek, het gewild literaire. „We maakten oogcontact en herkenden vijftien jaar van onze gedeelde geschiedenis weerkaatst in elkaars ogen” – serieus? „In het ritme van deze vrijdagavonden klopt het eerlijke, bescheiden hart van de wetenschap” – echt? En had Jahrens eindredacteur haar niet kunnen vertellen dat iemand die haar eigen grappen van jaren geleden navertelt, niet per se sympathiek overkomt? Nogal gekunsteld is ook de afwisseling van hoofdstukken over Jahrens eigen leven en het leven van een plant. Ze heeft het over zaadjes die heel lang kunnen wachten tot ze ontkiemen, over de eerste, sterke wortel van de plant, over het eerste blad als idee. De metaforiek – haar eerste onderzoeksbaan, haar eerste wetenschappelijke ontdekking – ligt er wel érg dik bovenop.

Maar geleidelijk ging ik toch van Jahren houden. Vooral van de manier waarop ze haar vriendschap met Bill beschrijft, haar onderzoeksassistent en zielsverwant. Haar liefde voor hem en de verhalen over wat ze samen hebben meegemaakt, dragen het boek in hun sublieme krankzinnigheid. De tijd dat hij uit armoede in zijn auto woonde. De keer dat hij tot haar schrik zijn haar had afgeschoren – maar hij had het in een holle boom verstopt, waar ze het konden bezoeken en bekijken. Het auto-ongeluk onderweg naar een congres, toen een studente te hard remde op een beijzelde weg en het busje met Hope, Bill, een handvol studenten en de slecht afgesloten fles waar ze om beurten in plasten ondersteboven in een sloot belandde. „Nou, het is eindelijk gebeurd”, zei Bill die avond, „een van de studenten heeft geprobeerd ons te vermoorden.”

In die verhalen schetst Jahren een misschien wat te romantisch, maar wel mooi beeld van wetenschappers: mensen die intense vriendschappen onderhouden, altijd geld tekort komen en gedreven worden door nieuwsgierigheid naar hoe de natuur werkt. En die vaak nog steeds niet geloven dat vrouwen onderzoek kunnen doen, zoals Jahren regelmatig te horen heeft gekregen, al dan niet door dunne kantoormuurtjes heen.

Lab Girl volgt Jahren van het koude dorp in Minnesota waar ze in een koude familie opgroeide, tot het lab dat ze nu leidt in Honolulu, waar ze woont met man, zoon en Bill. En in die tijd zie je Jahren volwassener worden. Haar persoonlijk en wetenschappelijk leven wordt rustiger, haar schrijven onderkoelder. Dus misschien schreef ze expres in het begin zo zoekend lelijk: om de onzekerheid te tonen van een vrouw die al jong wist dat ze onderzoeker wilde worden, maar geen rolmodel had. Dat zou geniaal zijn.

Hoe dan ook: ik hoop dat meer wetenschappers hun maffe, ideosyncratische memoires gaan schrijven. En ik hoop op een verfilming van dit boek.

    • Ellen de Bruin