Dromen over een leven buiten de banlieue

Reportage Elite Frankrijk neemt de opleiding van zijn voetballertjes zeer serieus, getuige het Centre National du Football Clairefontaine.

Ze zijn nogal stil voor jongens van twaalf jaar oud. En overdreven beleefd. Alle volwassenen die ze op hun pad naar de kleedkamers langs het fameuze château van Les Bleus tegenkomen, krijgen een hand. „Oui, monsieur”, „Excusez-moi, monsieur” is het enige wat ze zeggen. De spanning is van hun gezichten af te lezen. „Dit is de belangrijkste dag van mijn leven”, zegt de kleine Moise Gae zelfs. „Maar ik heb vertrouwen”, voegt hij er als een gedrilde prof aan toe.

Het is een koude februaridag als hij en 34 andere jongens, allen geboren in 2003, zich voor het eerst melden bij het Centre National du Football de Clairefontaine. Hier, verscholen in de bossen bij Rambouillet op drie kwartier onder Parijs ligt het heiligdom van het Franse voetbal. Clairefontaine is het „huis van het Franse voetbal”, zegt bondscoach Didier Deschamps altijd vol ontzag over de plek van waaruit het gouden team van 1998 het WK won.

De spelertjes zijn door hun clubs uit de regio Parijs geselecteerd voor het ‘concours’ van het Institut National du Football, het toelatingsexamen voor wat gezien wordt als de beste voetbalschool van Frankrijk en een van de beste in de wereld. Ze dromen er allemaal van om prof te worden en in de sporen te treden van illustere alumni als Thierry Henry, Nicolas Anelka of, recenter, Blaise Matuidi, de PSG-verdediger die vanaf 2002 twee jaar in Clairefontaine doorbracht.

Het is al de tweede groep die trainer Jean-Claude Lafargue vandaag ziet. Ooit speelde hij naast Sonny Silooy als verdediger bij de bescheiden ex-profclub Racing Club de France, nu is hij directeur van het sinds 1988 bestaande Institut National du Football en verantwoordelijk voor de ‘preformatie’. Vanachter een bureautje op het overdekte kunstgras roept hij de jonge spelertjes een voor een naar voren en werpt ze een hesje toe: „Groen zes”, „Geel twee”.

Minuten later beginnen de eerste van de tests die tot het begin van de avond zullen duren. Zes keer met de bal rond twee paaltjes rennen, dribbelen tussen pionnetjes door en kappend de hoek om. ‘Geel zes’ komt bij de eerste oefening steeds verkeerd uit en geeft zichzelf uit frustratie een klap voor zijn hoofd. „Hop hop!” schreeuwt Lafargue over zijn brilletje kijkend als het hem niet snel genoeg gaat.

Meer dan driehonderd spelers passeren deze week zijn kritisch oog, uiteindelijk blijven er 23 over die in september in de opleiding gaan: twintig spelers en drie doelmannen. Zoals eerder Henry of Anelka verblijven zij dan vijf dagen per week twee jaar op Clairefontaine: ’s ochtends gaan ze naar school in Rambouillet en ’s middags trainen ze. In het weekend mogen ze naar huis en spelen ze competitie met hun clubs. Daarna, op hun vijftiende, gaan ze bijna allemaal over naar een van de Franse profclubs om de opleiding daar af te ronden.

„Het niveau ligt in de regio rond Parijs aanzienlijk hoger dan in districten elders in het land”, zegt Lafargue met schorre stem in een van de pauzes. Dat komt deels doordat hier veel mensen wonen en het aanbod dus domweg groot is. Maar ook doordat voetbal vaak een van de weinige ontsnappingsroutes is voor jongeren die opgroeien in de onstuimige banlieue. Bijna alle spelertjes die deze middag zich mogen bewijzen komen uit families die van oorsprong niet-Frans zijn. „Ze moeten er echt voor knokken om gezien te worden”, zegt Lafargue.

Grote rel

Vijf jaar geleden terug pleitte onder andere toenmalig bondscoach Laurent Blanc er achter gesloten deuren voor om een quotum van 30 procent in te stellen voor spelers in de opleiding die een tweede paspoort bezitten. Toen dit uitlekte, leidde het tot een grote rel. Maar dit was geen racisme, verdedigden de bondsbestuurders zich. Veel van de in Frankrijk met Frans geld opgeleide spelers kiezen er uiteindelijk voor om uit te komen voor het nationale team van het land waar hun familie uit afkomstig is, zoals bijvoorbeeld Oumar Sissoko van FC Metz die uitkomt voor Mali. En dat was niet waar de Franse opleiding voor bedoeld was. De quota kwamen er niet.

„Het beeld van de banlieue is vaak negatief”, zegt Lafargue. „We denken aan een grote bende criminelen die alles sloopt. Maar dat is totaal niet mijn ervaring. De spelers die we hier hebben zijn totaal gemotiveerd en hun ouders doen er alles aan om ervoor te zorgen dat hun zoon slaagt.”

En dat hoeft niet per se in de sport te zijn. „Natuurlijk wil ik dat mijn zoon een groot professioneel voetballer wordt”, zegt een van de vaders die tijdens de selectieprocedures moeten achterblijven op een parkeerterreintje in het bos. „Maar als hij hier toegelaten wordt, dan is dat voor mij ook een garantie dat hij zijn school afmaakt”, bekent hij. „Hier houden ze hem goed in de gaten en gaat hij niet zo snel van het rechte pad af.”

Voor een volgende oefening neemt Lafargue een deel van de jonge rekruten mee naar een veldje in een kooi op een heuveltje iets verderop. In rap tempo legt hij een nieuwe oefening uit. Sommige spelers snappen het meteen, anderen stuntelen wat met de bal en vragen opnieuw om uitleg. „Dan weet ik meteen wie goed luistert en snel van begrip is ”, fluistert Lafargue. „Ook dat is belangrijk.”

Op Clairefontaine worden de talenten uitgebreid getest op conditie en techniek. Dribbelen met de bal, veertig meter hardlopen.Foto Benjamin Girette

Want de spelers, zegt hij in de pauze, worden niet louter op technische kwaliteiten geselecteerd. „Natuurlijk moet je goed kunnen voetballen, maar we kijken ook hoe je je sociaal opstelt en of je goed bent op school.” Daarvoor worden daadwerkelijk schoolrapporten onder de loep genomen. Ook moeten de spelers een doorwrochte vragenlijst invullen waarmee de leiding van de voetbalschool iets meer over „motivatie en passie” te weten hoopt te komen. „Als ze denken dat ze alleen voor het voetbal komen, dan hebben ze het mis.”

De Franse bond noemt de toelatingsprocedure bij Clairefontaine „niet voor niets een concours”, legt Lafargue uit. Ook om aan een grande école te mogen studeren, een van de prestigieuze instellingen voor hoger onderwijs waar de Franse elite gevormd wordt, moeten kandidaten een concours volgen. „Dit is een serieuze school. We willen echt alleen in spelers investeren waarvan we op voorhand denken dat ze in staat zijn beter te worden en dat ze in groepsverband op kunnen treden. Ze moeten met tegenslagen om kunnen gaan: als ze in een wedstrijd achterstaan moeten ze niet in paniek raken. Het blijft een gok, maar we hebben inmiddels aardige ervaring met de criteria.”

Scouts van alle clubs

Terwijl de ouders op het parkeerterrein moeten wachten, staan scouts van praktisch alle grote Franse clubs de hele middag langs de lijn als Lafargue zijn jonge sterren aan oefeningen onderwerpt. „Alleen Franse scouts uiteraard”, lacht Lafargue. „We werken voor de Franse bond.” Karim Seddar, die namens Toulouse FC komt, heeft „al heel wat prachtige bewegingen gezien”, zegt hij. Diep in een warme clubjas gestoken ontvlamt hij tijdens een wedstrijdje op half veld tussen de gele en de groene hesjes de ene sigaret na de andere. Hij maakt driftig aantekeningen. ‘Geel negen’ bevalt hem wel, zegt hij.

Het is Moise, die nu nog bij US Torcy speelt – de club waar ook Paul Pogba een jaartje zat voor hij prof werd. Maar voor een club als Toulouse is het lastig jonge spelers te enthousiasmeren, erkent Seddar. Tien meter verderop staat de scout van AS Monaco. „Die heeft natuurlijk veel meer geld en sexappeal”, zegt Seddar. „Het voordeel van een kleinere club is dat je meteen na je opleiding bijna per definitie in het eerste elftal komt. Daar is ook wat voor te zeggen”, lacht hij.

Maar met de beste spelertjes die hier nu op het veld rennen is al een zogenoemd ‘accord de non-sollicitation’ gesloten, een soort reserveringscontract waarin ze een club beloven op hun vijftiende daar hun opleiding te voltooien. Tijdens de twee jaar hier in Clairefontaine mogen ze dan niet door een andere club benaderd worden. Moise blijkt nog vrij, hoort Seddar als hij bij zijn collega’s informeert. „Maar ik ben er nog lang niet uit hoor”, zegt de scout.

Moise zelf vond het allemaal „makkelijk”, zegt hij aan het begin van de avond op het parkeerterrein bij de ouders. „Maar er waren ook wel veel goede andere spelers bij”, erkent hij. Zijn clubgenoot Etienne Camara, ook van Torcy, is minder zeker. „Het is een grote droom om profspeler te worden, maar mijn kansen zijn klein. Ik heb alles gegeven en ik kan tevreden over mezelf zijn. Meer kon ik niet doen.” Hij klinkt als een echte prof.

    • Peter Vermaas