Bruisend begin en dan failliet – maar dat miste de krant

Op zijn twaalfde deed hij al zaken. Chocolademelk en koeken verkopen op het ijs, want „zelf kon ik niet schaatsen’’. Ondernemen zit hem nu eenmaal in het bloed. En dus was Kazim Atilla, woonachtig in Sri Lanka en Dubai, nu in Rotterdam om zijn nieuwste bedrijf op te zetten. InfinAgora, een wereldwijd online zakennetwerk.

Hij vertelde het twee jaar geleden in ‘Spitsuur’, een rubriek in Economie waarin „stellen en singles vertellen hoe zij werk en privé combineren”. (‘Een nieuw bedrijf is net een pasgeboren baby’, 19 april 2014). Geïnteresseerden kunnen zich per e-mail aandienen.

Atilla, een „miljonair” die opgroeide in een Turks gezin in Gorinchem, vertelde nog veel meer. Hoe hij op Sri Lanka met zijn bruid ontsnapte aan de tsunami. Hoe hij op zijn zesde werd overrreden „door een SRV-wagen”. Hij was „zelfs tweemaal Nederlands kampioen taekwondo geweest”. En nu moest hij „even knalllen”. Zijn bedrijf wilde hij in drie jaar naar de beurs brengen. Ja, en er kwamen ook vestigingen in Londen, New York en Singapore.

NRC stond niet alleen. Vergelijkbare, van ondernemingslust bruisende stukken over het nieuwe bedrijf verschenen in de Telegraaf en Adformatie.

Kleine kink in de kabel. Kort na publicatie meldde een betrokkene zich bij de redactie. Hij zei weinig fiducie te hebben in het bedrijf, dat hem had benaderd voor pr-klussen. Signalen: een „vaag, ontwijkend” gesprek; oncontroleerbare data; onduidelijkheid over wat het bedrijf eigenlijk voorstelde. Hij vermoedde dat het „een lege huls” was.

Ja, wat moet je daarmee? Interessante tip of rancuneuze roddel?

Op mijn suggestie vroeg de redactie de auteur van het stuk nog eens haar licht op te steken bij het bedrijf. Dat leverde niets op. Althans, zij vond geen aanwijzingen dat er iets niet in de haak was: er was kantoorruimte gehuurd in het WTC Rotterdam, en daar zaten toch echt mensen te werken. De tipgever was niet overtuigd, maar moest zich er uiteindelijk bij neerleggen.

Inmiddels blijkt het bedrijf failliet, en niet sinds gisteren. De pasgeboren baby ging over de kop op 6 mei 2015, een jaar nadat de krant het wiegje had bekeken. Op de kennisgeving ervan stuitte ik tijdens een rondgang voor mijn zomervakantie (de komende twee weken) langs niet afgehandelde klachten. In vier verslagen van de curator, waarvan het meest recente in april verscheen, ontrolt zich een klein drama.

De curator windt er geen doekjes om. Het ontbrak de bedrijfsleiding aan „kennis en kunde”. De enige jaarrekening werd te laat gepubliceerd. Het is onduidelijk wie de aandeelhouders zijn. Er was „nauwelijks omzet” gemaakt. Vijftien klanten werden lid van het netwerk (2.500 euro per jaar) maar kregen „niet geleverd wat hen beloofd was”. De boekhouding bood „niet het vereiste wettelijke inzicht”. Louter om „proces-economische redenen” volgden geen juridische stappen. Zou ook geen zin hebben, want: de oprichter is „onvindbaar” en „lijkt geen verhaal te bieden”.

Mooie boel. Daar zit je dan met je „pasgeboren baby”.

Ik vond geen bericht over het faillissement in NRC Handelsblad, wel op de site van Quote (13 mei 2015). Het is ook maar een incident, natuurlijk, met een klein bedrijf. Jaarlijks gaan in Nederland per slot van rekening duizenden bedrijven failliet – 5.266 stuks in 2015 – zij het lang niet altijd met het vermoeden van „onbehoorlijk bestuur”.

Maar toch. De krant had dit bedrijf wel neergezet als een daverende start-up, en er wás een klacht, of waarschuwing, gekomen van een betrokkene.

Wat valt hier dan nog van te leren?

Nee, natuurlijk kon de auteur van dat interview dit faillissement niet voorspellen. Je kunt ook moeilijk het doopceel lichten van iedereen die je spreekt. En het ging ook maar om een menselijk stukje over werk en privé, niet om hard zakelijk nieuws. Bovendien, de auteur van deze aflevering van Spitsuur werkt freelance – dus dan wacht al snel de volgende opdracht en komt een vervolg op een oud verhaal niet vanzelf.

Ja, maar het blijft wel journalistiek, en dus waarheidsvinding.

Wat ik daarom niet begrijp, is dat de redactie na verloop van tijd niemand anders nog eens heeft gevraagd de zaak na te trekken, of eens te gaan kijken of de baby al kon kruipen, of misschien zelfs lopen. Praten kon hij al. Dan was het faillissement gemeld, en misschien had er nog een verhaal in gezeten.

De chef Economie is het ermee eens, maar kan er nu ook niks meer aan doen. Hij heeft wel een bedenking bij zo’n bericht over het faillissement van een betrekkelijk willekeurig mkb-bedrijf, want wie doe je daar een plezier mee, een jaar later.

Een goed voornemen lijkt me in elk geval: voortaan zo’n melding achteraf van een betrokkene die argwaan heeft, en met aanwijzingen komt, serieus blijven nemen, ook al gaat het om human interest en niet om hard nieuws.

En vooraf? Media doen geregeld een beroep op lezers, of het publiek, om mee te werken aan een stuk in de krant. Vaak gaat dat tegenwoordig via sociale media („Beste Facebook-vrienden, Wie kent een kind van twaalf met examenstress, dat…”). Of, zoals in dit geval, door een e-mailadres te openen.

Voor Spitsuur levert dat een paar meldingen per week op, zegt de eindredacteur van de reeks, auteurs putten ook uit hun eigen netwerk. Ze dienen daarbij te letten, zegt zij, op al te gretige zelfpromotie en, als het even kan, op de diversiteit van de uitverkorenen.

Dat lijkt me hoe dan ook verstandig. Want het risico van zo’n oproep is dat je een selectief gezelschap binnenhaalt en dus een eenzijdig beeld van je onderwerp krijgt. Maar ook dat je praatjesmakers trekt die publiciteit zoeken voor zichzelf of hun bedrijf, maar van wie de antecedenten niet zijn nagetrokken, en die op hun woord worden geloofd. Daar moet de krant voor waken.

Ook in gezellige rubrieken gaat het tenslotte om de feiten.

Naschrift (12 oktober 2017): In het stuk van de Ombudsman staat dat de heer Kazim Atilla volgens het rapport van de curator niet bereikbaar was. De heer Atilla hecht eraan te verklaren dat het faillissement van de onderneming InfinAgora formeel is beëindigd met opheffing bij gebrek aan baten. Hij verwerpt de kritiek van onbehoorlijk bestuur. Volgens de heer Atilla was hij zelf de belangrijkste investeerder in het bedrijf en zijn de gevolgen van het faillisment dan ook vooral voor zijn rekening gekomen.

    • Sjoerd de Jong