Beulen, gieters en jopenbier

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Halina Reijn, een van de mooiste en meest getalenteerde actrices van Nederland publiceert al jaren columns in allerlei tijdschriften en de Vlaamse krant De Morgen, die over veel meer gaan dan wel of geen kinderen krijgen. In Loos [1] zijn stukjes gebundeld die ze schreef tussen haar 35ste en haar veertigste, waarin ze onder meer terugblikt op haar jeugd in een hippiegezin en haar al vroeg geopenbaarde theaterambities. Samen vormen ze de autobiografie van een vrouw die erin slaagt een autonoom bestaan te leiden, dat tot voor kort alleen was weggelegd voor mannen. Grappig is haar verlangen naar een burgerlijk gezinnetje, terwijl veel vrouwen die dat hebben, waarschijnlijk veel liever in Halina’s kostbare dansschoenen zouden staan. Tot nu toe diende zich geen geschikte liefdespartner aan. Ze leeft in wat sociologen een ‘urban tribe’ noemen: alleenstaanden die niet bij elkaar wonen, maar wel samen optrekken. Intussen fantaseert ze over onderwerping aan dominante bruten als Mr. Grey en Badr Hari, maar ‘wie durft ons onverschrokken carrièrevrouwen nog te temmen?’ Niemand natuurlijk, zolang ze niet getemd wíllen worden. Uit haar columns blijkt dat ‘La Reijn’ er in elk geval niets voor voelt.

De leraar die mijn leven veranderde [2] is de onterechte titel van de bundel waarin schrijvers als Thomas Verbogt, Jan Siebelink, Peter Buwalda, Tommy Wieringa en Manon Uphoff voornamelijk herinneringen ophalen aan docenten die hun het leven zuur maakten. Zo had Verbogt op het Nijmeegse Canisiuscollege een leraar Engels die geen tegenspraak duldde. Als hij zijn vinger op stak en stamelde: ‘Maar ik wil weten …’, antwoordde ‘de beul’: ‘Jij wilt helemaal niets weten.’

Zelf werd Verbogt desondanks een modelleraar, blijkt uit de bijdrage van Alma Mathijsen: ‘Wanneer iets onduidelijk is, vraagt Thomas net zo lang door tot ik er zelf achter kom wat ik wil vertellen.’ Van de overige auteurs had alleen Deborah Campert een leraar die haar leven veranderde. Op de beste highschool van Ohio kreeg ze literatuurles van Edwin H. Sauer. ‘Als je honger naar kennis als een zaadje ziet, was dr. Sauer de planter en ik ben hem eeuwig dankbaar. (Mede dankzij zijn ‘gieter’ ben ik later met een schrijver getrouwd!).’

Wat bezielt de auteurs van de twee bovengenoemde bundels anders dan wat de Romeinse aristocraat Plinius de Jongere (ca. 62-ca. 113) nastreefde: ‘zijn eigen leven en werk onder de aandacht te brengen’? De negen delen persoonlijke brieven die Plinius publiceerde zijn hét schoolvoorbeeld van een egodocument, ze bieden, in de woorden van vertaler Vincent Hunink, een beeld van Plinius’ eigen activiteiten en relaties, in de bredere context van zijn tijd en de cultuur waarin hij leefde.

In het bundeltje De Vesuvius in vlammen [3] zijn alleen de handvol Brieven aan Tacitus opgenomen, waaronder de twee beroemde ooggetuige-verslagen van de uitbarsting van de Vesuvius in 79, die zijn bewierookte oom Plinius de Oudere niet overleefde. De brieven aan Tacitus geven een goed beeld van de omgangsvormen tussen Romeinen uit de senatoriale klasse: schijnbaar achteloos beuzelend, gespeeld bescheiden, maar niet zonder verborgen oogmerken, zorgvuldig gecomponeerd in een even ongedwongen als verzorgde stijl. Zoals Hunink de brieven vertaalt, hadden ze gisteren geschreven kunnen zijn. Waar Plinius een zinnetje of uitdrukking in het Grieks door zijn Latijn strooide, maakt de vertaler er Engels van. Wat Plinius wilde bereiken met zijn egodocumenten? Eeuwige roem – en die heeft hij nog gekregen ook, zij het minder dan Tacitus.

Tacitus is zelfs doorgedrongen in het standaardwerk Bier in Nederland [4], omdat hij als eerste melding maakte van de consumptie in noordwest-Europa van ‘een brouwsel van gerst of tarwe, vergist op een soortgelijke manier als wijn’. Bierkenner Marco Daane voert de geschiedenis van het brouwen nog verder terug, naar de prehistorie, hij beschrijft de overgang van haver naar gerst en van gruit naar hop, en laat de lezer niet in het ongewisse over de verschillen tussen het Limburgse ‘swartbier’, de Groninger ‘kluin’ waar men een ‘klunskonk’ van kreeg en de Hollandse ‘kuit’ die rond 1400 ontstond. In de loop van de tijd verdwenen de talloze lokaal gebrouwen bieren, maar rond 1980 begon de heropleving van de biercultuur. Tegenwoordig zijn weer replica’s beschikbaar van gruitbier, mom en jopenbier, maar hoe de 16de-eeuwse ‘mueselaar’ of ‘pharo’ werden gebrouwen zal wel altijd een mysterie blijven. Een boek voor echte liefhebbers.

    • Elsbeth Etty