‘Ik ben vrij om te zijn wat ik wil’

Muhammad Ali presenteert zijn boek 'The greatest Muhammad Ali - my own story' op de internationale boekenbeurs in Frankfurt (1975). ANP

Door onze redacteur
Ward op den Brouw

„Ik hoef niet te zijn wat jullie willen dat ik ben. Ik ben vrij om te zijn wat ik wil.”

De bokser die altijd voor zijn mening uitkwam, zei dit in 1964 tegen journalisten, nadat hij belachelijk was gemaakt omdat hij zich, op z’n 22ste, had bekeerd tot de islam en zijn ‘slavennaam’ Cassius Clay had ingeruild voor Muhammad Ali.

Jackie Robinson, kort na de Tweede Wereldoorlog de eerste zwarte speler in het Amerikaanse profhonkbal, nam het op voor de jonge kampioen die het mikpunt was van spot en kritiek. „Ik weet wat hij meemaakt, want tijdens mijn eigen sportcarrière heb ik ondervonden dat er veel journalisten zijn die houden van gedweeë negers die ‘hun plaats kennen’. Natuurlijk heeft Clay, of Ali, door zijn woorden met daden kracht bij te zetten, duidelijk getoond waar zijn ‘plaats’ is – helemaal boven aan de top.”

De wereldkampioen in het zwaargewicht maakte zich nog minder populair toen hij het lef had als gewetensbezwaarde militaire dienst te weigeren. „I ain’t got no quarrel with them Vietcong.” Noord-Vietnamezen hadden hem niks misdaan, terwijl Amerikaanse zwarten in hun eigen land volop werden gediscrimineerd. Ali stond voor zijn principes – zei dat hij liever de cel in zou gaan dan vechten in Vietnam. Die houding kostte hem niet alleen zijn wereldtitel; hij werd geschorst en spendeerde noodgedwongen zijn beste jaren, van voorjaar 1967 tot najaar 1970, buiten de ring.

Opeens was hij veel meer dan een sportman. Ali werd een lieveling van de anti-Vietnambeweging en hield spreekbeurten aan universiteiten. Een held van veel jonge, zelfbewuste zwarte Amerikanen was hij toen al door zijn uitgesproken opvattingen over de Amerikaanse maatschappij die zo nadrukkelijk onderscheid maakte tussen blank en zwart.

Steun kreeg Ali in die jaren ook uit onverdachte hoek: de Britse filosoof en Nobelprijswinnaar Bertrand Russell correspondeerde met de bokser. Volgens Russell was Ali een van de eersten die werkelijk vrij was, die kon doen en laten wat hij wilde.

Het mag een wonder heten dat Ali de roerige jaren zestig en zeventig ongeschonden doorkwam – dat hij ze überhaupt overleefde. Een zwarte Amerikaan die in die tijd opkwam voor de rechten van zwarte landgenoten wist dat hij het risico liep met geweld het zwijgen te worden opgelegd. Dat overkwam prominente voorvechters zoals Martin Luther King en Malcolm X – hoewel die het slachtoffer was van een afrekening in eigen kring – en ontelbare van hun landgenoten. Onder meer in de aanloop naar zijn eerste gevecht om de wereldtitel, tegen Sonny Liston in 1964, kreeg Ali dreigtelefoontjes: „Als Liston jou niet pakt, pakken wij je.” Jackie Robinson en een andere zwarte honkbalheld, homerunkoning Hank Aaron, konden over zulke dreigementen meepraten. van extra politiebeveiliging rond het tweede gevecht tegen Liston, in 1965, na doodsbedreigingen, wilde Ali niets weten. „Allah zal me beschermen”, zei hij. „Bovendien ben ik te snel om geraakt te worden door een kogel.”

Hoe serieus het onderwerp ook was, altijd was er die knipoog of die ondeugende glimlach. Ali was niet alleen de grootste en de mooiste – hij was ook de grappigste. Maar lang niet iedereen hield van zijn humor. Toen hij in 1966 weigerde in dienst te gaan en in Vietnam te vechten, nam het aantal (conservatieve) Amerikanen dat Ali haatte en dood wenste alleen maar toe. Er werd gericht op hem geschoten toen hij in 1970 in Atlanta in training was voor zijn comeback, na als gevolg van zijn schorsing drieënhalf jaar geen wedstrijden te hebben gebokst. „Vieze zwarte klootzak”, riep een van zijn drie belagers, voordat ze er vandoor gingen. Het schieten werd diezelfde avond gevolgd door een telefonische waarschuwing, vertelt Ali in zijn autobiografie The Greatest (197.). „Volgende keer schieten we raak.”

Lees ook: Het verhaal van NRC-redacteur Ward op den Brouw, die mocht speechen voor de grootste bokser ooit.

Taal als wapen

Muhammad Ali liet zich niet tot zwijgen brengen, binnen noch buiten de ring. Zijn mond was als wapen van hetzelfde kaliber als zijn vuisten, zijn snelheid en zijn incasseringsvermogen. Zijn verbale kwaliteiten leverden hem al snel zijn bijnaam op, de Louisville Lip. Hij rapte al decennia voordat er rappers waren. Float like a butterfly, sting like a bee (your hands can’t hit what your eyes can’t see) declameerde hij met zijn assistent-trainer Drew ‘Bundini’ Brown, tevens de mascotte in het team van The Greatest. Die oneliner werd zijn lijfspreuk.

Van de 61 partijen die hij als prof bokste, won Ali er 56 en verloor hij er vijf. Driemaal veroverde hij de wereldtitel in het zwaargewicht. Door op onnavolgbare wijze te boksen. Hij imiteerde verschillende van zijn voorgangers, onder wie zijn grote voorbeeld Sugar Ray Robinson. Vooral de snelheid waarmee ze hun stoten uitdeelden hadden Ali en ‘Sugar Ray’ met elkaar gemeen. Zijn snelle voetbewegingen in de ring, een afleidingsmanoeuvre waarbij hij de ene keer door de ring fladderde en de andere keer niet van zijn plaats kwam, werden bekend als de Ali Shuffle. Voor het eerst vertoond in het gevecht tegen Cleveland Williams, in 1966.

Zijn reactievermogen was fenomenaal. Klappen ontweek hij veelal, met name in de eerste helft van zijn carrière. Omdat hij vroeger op straat met vriendjes vaak met stenen gooide, zei hij later, was hij ook zo goed in het ontwijken van stoten. Een bokser kan nog zo hard slaan, als hij alleen maar lucht raakt, vreet dat energie. Zijn verdediging was niet best, tenminste, die indruk wekte Ali graag. Vaak hield hij zijn armen recht omlaag; een open uitnodiging om hem te raken. Om de man die tegenover hem stond uit te lokken en in zijn val te laten lopen. Sla me maar, je kunt me toch geen pijn doen. Kun je niet harder slaan? Is dat alles?

Incasseren kon hij als de beste. Kijk nog maar eens naar de Rumble in the Jungle, het gevecht in 1974 in Zaire (het huidige Congo) waarin hij de hem ontnomen wereldtitel op George Foreman heroverde. Tegen zijn landgenoot, veruit favoriet, paste Ali een tactiek toe die ‘rope-a-dope’ werd genoemd: achteroverhangend in de touwen maakte hij zich klein. Met zijn vuisten en zijn onderarmen beschermde hij zijn knappe gezicht en in die houding liet hij zich slaan door Foreman. Totdat die in de verzengende Afrikaanse hitte al zijn krachten had verspeeld en uiteindelijk door Ali knock-out werd geslagen. Plotseling veranderde hij van verdediger in aanvaller en toonde hij dat het niet zozeer de kracht als wel de snelheid van zijn stoten was die een gevecht besliste. Vaak ook nog in de ronde die hij voorspelde, in rijm. Het was niet alleen grootspraak waarmee hij zijn tegenstanders tegemoet trad. ‘If you were surprised when Nixon resigned, just watch what happens when I whup Foreman’s behind!’ Met daden zette hij zijn woorden kracht bij.

Maar met zulke teksten maakte Ali niet alleen maar vrienden. Veel boksliefhebbers over de hele wereld zaten op de gekste tijden voor de tv – in West-Europa bijvoorbeeld diep in de nacht – in de hoop dat die hondsbrutale bokser eindelijk eens een lesje zou worden geleerd. Maar in zijn gloriejaren (1960-1975) was dat een uitzondering. In die periode waren alleen Joe Frazier (in 1971) en Ken Norton (1973) hem de baas. In de jaren dat hij flink aan snelheid en kracht inboette, volgden nederlagen tegen Leon Spinks (1978), Larry Holmes (1980) en Trevor Berbick (1981). In zijn hele carrière werd hij slechts vier keer tegen het canvas geslagen: twee keer als Cassius Clay (in 1962 tegen Sonny Banks en in 1963 tegen de Brit Henry Cooper) en tweemaal als Muhammad Ali (in 1971 tegen Frazier en in 1975 tegen Chuck Wepner, de bokser die Sylvester Stallone inspireerde om zijn Oscar-winnende Rocky te maken).

Het was de ziekte van Parkinson die de grootste sportman aller tijden tergend langzaam sloopte, en hem ook zijn spraak ontnam: veroorzaakt door de vele klappen die hij incasseerde in een carrière (1954-1981) die hij tot een maand voor zijn veertigste verjaardag rekte. Met zijn afscheid uit de bokssport ging het met de populariteit van het boksen ook snel bergafwaarts. Er kwam in de jaren tachtig nog één opleving: Mike Tyson werd in 1986 de jongste wereldkampioen in het zwaargewicht. ‘Iron’ Mike veroverde (voorlopig) als laatste een plaats in de galerij van de beste boksers uit de geschiedenis. Zijn inspiratiebron: Muhammad Ali, die hij ontmoette toen de legende een bezoek bracht aan een jeugdgevangenis in de Bronx, waar Tyson toen rond zijn twaalfde vastzat, onder meer voor gewapende overvallen.

Zoals zoveel boksers kende Tyson een jeugd met criminaliteit als rode draad. Ali, afkomstig uit een middenklassegezin in Louisville (Kentucky), vormde een uitzondering op de regel. Waar een kampioen als Tyson in opspraak raakte onder meer door agressief gedrag binnen en buiten de ring, leidde Ali een voorbeeldig leven. Hoewel hij de vertegenwoordiger was van een sport waarin rake klappen vielen, gedroeg hij zich buiten de ring vaak voorbeeldig. Hij rookte niet en ook alcohol was taboe, al ver voordat hij zich als 22-jarige tot de islam bekeerde. Ali was een womanizer - Lonnie was zijn vierde vrouw -, maar waar hij wel een blanke trainer en een blanke dokter in zijn entourage had, ging hij nooit met een blanke vrouw, ook al lagen ze in zijn gloriejaren aan zijn voeten.

Niet alleen voor veel boksers was Ali een voorbeeld. Tijdens de verkiezingscampagne, op weg naar het Witte Huis, werd een foto verspreid waarop aan de muur bij senator en presidentskanidaat Barack Obama de iconische foto te zien is van Ali die tijdens de ‘rematch’ over Sonny Liston gebogen staat, nadat hij die al in de eerste ronde met een ‘phantom punch’ knockout heeft geslagen. Ook voor Obama is Ali een voorbeeld. In 2006, toen hij nog senator was, kreeg hij met zijn echtgenote van Ali en zijn vrouw Lonnie een rondleiding in het Muhammad Ali Center in Louisville. Op het feest in januari 2012 in datzelfde complex voor de 70ste verjaardag van de bokslegende werd een videoboodschap van de president vertoond. In één zin vatte hij het leven van Muhammad Ali samen, in een variant op Ali’s eigen woorden nadat hij tot ieders verrassing in 1964 wereldkampioen Liston had verslagen: „You shook the world.”

Stel dat zijn fiets niet was gestolen, op z’n twaalfde, en hij op advies van politieman Joe Martin niet op boksles was gegaan om zijn woede over de diefstal af te reageren? Zouden we dan ooit van Cassius Clay of Muhammad Ali hebben gehoord? Als hij niet had gebokst, wat was er dan van hem geworden, vroeg Dick Cavett hem tijdens zijn spraakmakende talkshow in de jaren zeventig. Ali’s antwoord, zonder nadenken:. „De eerste zwarte op de maan.” Typisch Ali.