Waar zijn die 200.000 bouwvakkers?

De bouw is het allerhardst geraakt door de crisis, zegt het CBS. De sector die nu opkrabbelt is kleiner, ouder en zelfstandiger.

Van de 200.000 bouwvakkers die in de crisis stopten, vond de helft weer werk. Foto IStock

De bouw krabbelt op na de crisis, zo klinkt het. Maar is ‘de bouw’ van voor 2008 nog wel te vergelijken met ‘de bouw’ van nu, na al die faillissementen en ontslagen? Die identiteitskwestie probeert het Centraal Bureau voor de Statistiek te beantwoorden in het rapport Het lot van de verdwenen bouwvakker dat vrijdag uitkwam.

Het CBS traceerde de 200.000 bouwers die tijdens de crisis uit de statistieken zijn verdwenen. Wat is er van al die metselaars, voormannen en lassers terechtgekomen, wilde het bureau weten. Hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen van het CBS licht drie bevindingen uit het rapport toe.

1 De bouw leed het meest

Van alle bedrijfstakken is de bouw het allerhardst geraakt door de crisis, zegt Van Mulligen. Dat zie je aan het aantal verdwenen banen en bedrijven en aan de productie. Het aantal banen in de bouw ligt nog steeds bijna een vijfde onder het niveau van 2008. Terwijl het aantal banen in de hele Nederlandse economie juist iets hóger ligt. En al daalt het aantal faillissementen nu, nergens gingen zoveel bedrijven failliet als in de bouw. De productie van de bouwsector lag in 2015 nog steeds 16 procent onder het niveau van voor de crisis. Van Mulligen: „Die is nergens zo hard gedaald.”

2 Tweehonderdduizend mensen weg

Hoeveel banen zijn er dan verdwenen? Het CBS rekent het voor. De bouwsector begon in 2008 met 475.000 mensen, zwartwerkers niet meegerekend. In 2014 waren dat er nog maar 396.000. Er begonnen weliswaar 119.000 mensen nieuw in de bouw, maar er gingen ook bijna 200.000 mensen weg, gedwongen of vrijwillig. Is dat veel? Ja, zegt Van Mulligen weer. In andere sectoren is het ‘baanniveau’ immers weer op peil.

En waar gingen die 200.000 mensen naartoe? Iets minder dan de helft vond weer werk. Een deel (15 procent) belandde in de industrie, zag het CBS. Zo’n 14 procent ging naar de handel. De grootste groep, een kwart, ging als uitzendkracht werken. Het CBS sluit niet uit dat een deel daarvan via deze omweg toch weer in de bouw werkt, maar kan dat niet vaststellen.

Als de ene helft weer werk vond, vond de andere helft dat niet. Een flink deel kon met pensioen, een vijfde kreeg een uitkering voor werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, of kreeg bijstand. Een kleine groep overleed of ging weer studeren.

3 Uit loondienst

In zes jaar crisis is de bouwvakker twee jaar ouder geworden. De gemiddelde werknemer in de bouw is nu 42,7 jaar. Die stijging van twee jaar is sterker dan het landelijke gemiddelde, noteerde het CBS. Dat komt door de lage instroom van jonge mensen. Maar ook door het feit dat veel mensen in de crisis zelfstandig zijn geworden, en zelfstandigen gaan doorgaans langer door.

Geen sector verzelfstandigt zo snel als de bouw, zegt Van Mulligen. In 2008 was nog 21 procent zelfstandig, in tijden van crisis groeide dat tot 28 procent in 2014. Wat Van Mulligen opviel, is dat vooral bouwvakkers van buitenlandse afkomst – „veel Polen, Duitsers en Bulgaren” – niet voor een baas werken. En het aandeel ‘niet in vaste loondienst’ is nóg groter, door de uitzendkrachten.

De bouw die uit de crisis klautert is dus kleiner, ouder, en zelfstandiger. Maar het is de vraag of met het aantrekken van de sector, ook de groep in loondienst weer groeit.

    • Carola Houtekamer