Opinie

    • Mirjam de Winter

Salaam Aleikum!

Als je in een stad woont met 175 verschillende nationaliteiten, mag je je als autochtoon best een beetje verdiepen in andere culturen. Ik vind het namelijk wel zo beleefd om enigszins op de hoogte te zijn van de gebruiken en gewoontes van je medestadsgenoten, al vind ik dat dat andersom net zo goed voor hen geldt. Zo trek je netjes je schoenen uit wanneer je het huis van moslims betreedt (want die willen niet bidden in restjes hondenstront), geef je je kinderen geen varkensworst of snoepjes met gelatine (haram!) als traktatie mee naar de basisschool, hoor je (onbekende) Surinamers altijd te vousvoyeren en is het de bedoeling dat je overdreven geïnteresseerd reageert als een Chinees je z'n visitekaartje geeft, in plaats van het ongezien in je achterzak te steken.

Ik moet van mezelf toegeven dat ik die multi-culturele beleefdheid een tijdje nogal overdreven heb. Ik maakte er bijvoorbeeld een sport van om bij de toko, de Turkse bakker of bij mijn favoriete Marokkaanse slager, de mensen achter de toonbank gedag te zeggen in hun eigen taal. Leek me leuk en wel zo netjes.

Salaam Aleikum, slager, zei ik dan in mijn beste Arabisch bij binnenkomst. „Salaam Aleikum, mevrouw”, zei de slager maandenlang beleefd tegen me terug. Tot ik op een dag merquezworstjes bij hem bestelde en hij me droogjes vertelde dat ik daarvoor bij hem aan het verkeerde adres was: „Dan moet u bij een Marokkaanse slager zijn mevrouw, wij zijn Turks.” Dan sta je natuurlijk goed voor gek met je politiek-correcte gedrag en je ge-salaam-aleikum.

Zo heb ik ook lessen getrokken uit het willen schudden van handen van moslimannen. Ik zorg er tegenwoordig voor –na een vervelende ervaring met een imam– dat ik nooit de eerste ben die een hand uitsteekt, maar wacht rustig af wat er gebeurt om ongemakkelijke situaties te voorkomen. Meestal krijg ik gewoon een hand, dus dat ‘probleem’ wordt in mijn ogen behoorlijk overtrokken.

Tot ik tijdens de viering van Chanouka (joods inwijdingsfeest) op het Schouwburgplein kennis wilde maken met een Rotterdamse rabbijn en ik nietsvermoedend m'n hand maar hem uitstak. Hij trok de zijne terug en legde hem plechtig op z'n borst. „Ik groet u met mijn hart”, zei hij. „Hoezo dat?” vroeg ik nog lacherig. „Uit respect voor het huwelijk”, antwoordde hij, zonder ook maar iets te weten over mijn burgerlijke staat. En al weet ik dat het vast niet persoonlijk bedoeld was, ik voelde me als vrouw tot op het bot beledigd en vernederd. Deze had ik namelijk echt niet zien aankomen.

    • Mirjam de Winter