Opinie

    • Guus Meershoek

Opsporing is een vorm van sport, geen productieproces

Klimt de recherche nu uit het dal, na het zeer kritische rapport ‘Handelen naar waarheid’? Vermoedelijk niet. De zwaktes (en sterkten) zijn nu duidelijk, maar de oorzaken nog niet.

Foto Andreas Terlaak

De misstanden bij de recherche die het twee weken geleden gepubliceerde rapport Handelen naar Waarheid blootlegt, zijn schokkend. Bij betrokkenen roept het, zoals het boek De gekooide recherche een jaar geleden, veel blijken van herkenning op. Bob Hoogenboom sprak van een AA-moment, de commentator van NRC-Handelsblad concludeerde dat het grote zwijgen definitief was doorbroken.

Je zou inderdaad zeggen: wie kan er nog omheen? Dat lijkt mij echter iets te gemakkelijk geconcludeerd. Herkenning biedt wel opluchting maar zet nauwelijks aan tot verandering. Terecht wijst oude rot in het vak Jan Blaauw er in een ingezonden brief op dat diverse manco’s al eerder werden gesignaleerd. Dit is niet het eerste AA-moment. Denk aan de Schiedammer Parkmoord en de Puttense moordzaak, om niet te spreken van de IRT-affaire. Allemaal crises die wel leidden tot maatregelen maar duidelijk niet tot verbetering.

Handelen naar waarheid bouwt voort op het in 2011 opgestelde en vorig najaar gepubliceerde rapport Recherchetoestanden. Dat bevatte al een lange lijst zogenoemde knelpunten. Het nieuwe rapport is degelijker, graaft dieper, ordent de misstanden in zes rubrieken maar is nog steeds in de eigen woorden een ‘sterkte- en zwakte-analyse’. De moedeloos stemmende nieuwe opsomming van knelpunten is gelardeerd met zogeheten ‘best practices’. Met recht want er gaat natuurlijk ook heel wat goed bij de recherche en het is belangrijk de problemen in het juiste perspectief te zien. Opbeuren doet het echter niet.

Veel voor een goed begrip onontbeerlijke informatie ontbreekt in het rapport. Hoe is momenteel de bezettingsgraad van de recherche? Hoeveel zaken handelden de diverse eenheden de afgelopen jaren af? En wat voor zaken waren dat? Hoe staat het met de afloop? Het grootste gebrek is echter dat niet wordt gepoogd om oorzaken en gevolgen vast te stellen. De waarom-vraag wordt uit de weg gegaan. Hoe komt het dat de recherche in deze penibele toestand is beland en welke impact heeft deze toestand op wat de recherche de komende tijd kan bereiken?

Dat gebrek bergt een belangrijk risico in zich. Voor je het weet, wordt er op basis van dit rapport een ‘transitiemanager’ aangesteld die met een cohort ‘veranderkundigen’ al de genoemde ‘knelpunten’ projectmatig gaat ‘aanpakken’, met als uitkomst dat meer geld wordt uitgedeeld, dat werkprocessen worden gestroomlijnd, wettelijke regelgeving verder wordt verruimd en nog meer wordt vergaderd, overlegd en afgestemd. Zoals na die eerdere crises.

Terwijl opsporing, als het goed is, geen productieproces maar een soort sport is. Het gaat er om binnen de grenzen van de rechtstaat met slim handelen resultaat te boeken en zo iets tegen onrecht te doen. Dat resultaat is bij voorbaat onvoorspelbaar. Dat is ook het leuke aan de opsporing, dat motiveert rechercheurs.

Dat spelelement en de bijkomende onzekerheid zijn echter precies dat wat veel knelpuntenbestrijders weigeren te accepteren. Binnen de recherche leidt diezelfde weerstand tot heel veel overleg en vergaderen, vaak onnodig overleg. Alle gestroomlijn kan het spelelement, het plezier uit het werk verbannen maar niet de onvoorspelbaarheid. Interne tegenspraak en af en toe een corrigerende tik van de rechter houden de opsporing scherp.

Voordat tot ingrijpen in de recherche wordt overgegaan, is het verstandig om eerst de uiteenlopende oorzaken van alle knelpunten vast te stellen en deze te onderscheiden. Sommige misstanden, zoals de onderbezetting, zijn te wijten aan de slepende herindeling van het personeel. Andere, zoals de tekortschietende informatievoorziening, aan de (ondoordachte) inbedding van de recherche in de politieorganisatie. Weer andere aan de inrichting van de recherche zelf en nog weer andere, zoals de gebrekkig kennis van de digitale wereld, aan onvoldoende aanpassing aan nieuwe vormen van criminaliteit. De uiteenlopende oorzaken maken duidelijk of en hoe al die knelpunten zijn weg te nemen. Soms blijkt het ene manco bovendien zijn grond te hebben in een andere misstand, is sprake van een domino-effect en kan dus ook verwacht worden dat het eerste verdwijnt bij reparatie van de laatste.

Daarnaast is het ook verstandig de gevolgen van de huidige toestand onder ogen te zien en die af te zetten tegen de verwachte ontwikkeling van de criminaliteit. Het heeft geen zin vastgelopen recherchefuncties waarvoor geen toekomst is of die het bedrijfsleven al veel beter uitoefent, nieuw leven in te blazen. Tegelijk is er alle aanleiding snel handicaps weg te nemen die brandende kwesties, zoals ondermijning van het openbaar bestuur, kunnen aanvatten.

Gaat het op korte termijn goed komen met de recherche? Ik ben niet heel erg optimistisch. Nu het zwaartepunt in de politieorganisatie is verschoven van de nationale leiding naar de burgemeesters die het bevoegd gezag over de eenheidschefs uitoefenen en die zich uit hoogte van hun functie minder bekommeren om de opsporing, is het lastiger om de recherche om te vormen dan bij de start van de reorganisatie. Maar misschien hebben bestuurders ook een uitdaging nodig om te presteren.

Guus Meershoek  is lector Politiegeschiedenis aan de Politieacademie en universitair docent Bestuurskunde aan de Universiteit Twente. De Politiecolumn wordt afwisselend geschreven door deskundigen uit het politieveld.

 

 

 

 

Blogger

Guus Meershoek

Guus Meershoek studeerde politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, is lector Politiegeschiedenis aan de Politieacademie en universitair docent Bestuurskunde aan de Universiteit Twente. Hij publiceerde over verleden en heden van de Nederlandse politie.

    • Guus Meershoek