Onwrikbaarheid behoeft tegenwicht

In het vijfde deel van zijn Bijbel-hervertelling voor ongelovigen volgt Kuijer de Profeten. Ongelovigen zijn ook het publiek waar Louis Paul Boon zijn Reinaert de Vos voor schreef, deel 7 van zijn Verzameld werk.

Nogal braafjes staat er achterop het vijfde deel van Guus Kuijers hervertelling van de Bijbel dat deze is gemaakt ‘voor ongelovigen (en gelovigen)’. Een uitgever moet de markt niet te zeer van zich vervreemden en alle gelovigen al op de achterflap wegsturen. Bovendien: is elke lezer niet een gelovige? Alles begint met de willing suspension of disbelief – ook in de meeste Nederlandse kerken worden bijbelverhalen inmiddels gewoon gelezen als wat ze zijn: literatuur.

In de versie van Kuijer (1942) zijn ze een feest om te lezen: hij haalt de scènes achter de mythen naar de voorgrond en schrijft dialogen die alledaags zijn, maar die het verhaal een soepelheid geven die het origineel vaak ontbeert. Dan hoor je Achab, de Koning van Israël, verzuchten ‘Ik vind alles best, als het maar gaat regenen’. Alsof een kind uit een van Kuijers Madelief-boeken aan het woord is. Zoals hij veertig jaar geleden de geminachte kinderen bevrijdde uit de autoritaire schema’s van het pedagogische kinderboek, doet hij dat nu met de Bijbelfiguren.

Kuijer is inmiddels beland bij de boeken Koningen, Job en de Profeten – het vaak veronachtzaamde staartje van het Oude Testament. Izebel van Tyrus (‘de hoer van Sidon’ en de vrouw van Achab) en de profeet Jona krijgen in dit deel de meeste aandacht. Kuijers hervertelling van het verhaal van Izebel stamt trouwens uit 1988. Hij zet haar neer als de vrouw met een veel scherper politiek instinct dan haar bij vlagen sukkelige echtgenoot – al legt ze het uiteindelijk af tegen de krachten van de profeet Elia.

De profeten zijn het eigenlijke onderwerp van deel vijf. Hij laat Izebel observeren: ‘In die dagen was ongeveer een kwart van de inwoners van Samaria en omstreken profeet […] Ze trokken in groepen door stad en land, schreeuwend, oogrollend en schuimbekkend, ieder op zijn wijze het woord van hun god sprekend.’ Het lijkt twitter wel (waar Kuijer zelf ook op te vinden is).

Kasteelheren

Hervertellingen van klassieke teksten gaan meestal meer over de tijd waarin ze verschijnen, dan over de tijd waarin het origineel speelt. Explicieter nog dan bij Kuijer, zie je dat in Louis Paul Boons Wapenbroeders. Die versie van de oude verhalen over Reinaert de Vos verschenen voor het eerst in boekvorm in 1955 en zijn nu als deel 7 van het Verzameld werk gepubliceerd. Boon (1912-1979) schreef zijn boek ook voor ongelovigen. Meteen al in de eerste inleidende pagina’s trekt hij van leer tegen de kasteelheren ‘die katholiek waren – gelijk zij nu nog steeds katholiek zijn, of iets anders, of iets heel tegenovergesteld maar toch nog altijd hetzelfde […] gelijk zij nu nog steeds ten onzenhere gaan, of tot marx of tot hitler of tot de kloten van de hond.’

De bazen krijgen ervan langs (‘waarin men elkaar met vrome Latijnse spreuken en wijwater overkwispelde, maar u op de brandstapel bracht als ge bij vergissing beweerdet dat de wereld rond de zon draaide’). De ‘wapenbroeders’ zijn Reinaert en de wolf Isengrimus. Daarbij ontpopt de vos zich bij Boon tot een idealist die een republiek van vrijen wil stichten, waarin al het eten eerlijk zal worden verdeeld.

De arme Isengrimus doet mee aan het verbond, wat erop neerkomt dat hij alle klappen opvangt en Reinaert zich listig meester maakt van al het eten dat onder het mom van de gezamenlijkheid is veroverd. De vos gelooft uiteindelijk alleen in wat hij tussen zijn kaken heeft. In het uitgebreide nawoord wijst Kris Humbeeck erop dat Boon het ‘wapenbroederschap’ volstopte met verwijzingen naar zijn eigen tijd bij de communistische partij, kort na de oorlog: de sluwe hypocrisie van de vos is die van zijn oude kameraden. Boon identificeerde zich zijn leven lang met de arme Isengrimus, noemde zelfs zijn huis naar de middeleeuwse wolf.

Boon vertelt vlammend virtuoos, doorlopend schakelend van de slapstick in het verhaal, naar actuele en literaire verwijzingen: zo laat hij Isengrimus als hij gegeseld wordt zijn ‘feesten van angst en pijn’ uitschreeuwen. Even plotseling kan hij de verschillende versies Le roman de Renart, Isengrimus en Van den vos Reinaerde vergelijken – al is dat ook weer niet zo heel plotseling: daar kiest hij juist het hoofdstuk uit waarin Reinaert de kinderen van de wolf ‘beseekede daer si laghen’ danwel ‘zijn poten hefte en mild uit beide gaten gaf, al zeggend dat hij het goed gemengd had’.

Totaalliteratuur

Wapenbroeders is totaalliteratuur: stilistisch virtuoos, diep geëngageerd met de wereld en de literatuur, historisch bewust en van een verzengende woede tegen al wie onrecht doet of dat probeert te verhullen. En het is anti-profetische literatuur. Degenen die anderen een toekomst voorspiegelen, of het nu de pastoors zijn of de protocommunist Reinaert, zijn de grootste schoften. Daarmee komen we toch weer bij Kuijer terecht. Want hij is weliswaar niet zo openlijk ideologisch als Boon, zijn gedachten komen in dit vijfde deel van zijn Bijbel scherp naar voren.

Dat heeft alles te maken met de alomtegenwoordigheid van de profeten. Elia (een man van groot charisma en onrustbarend fundamentalisme) krijgt van Kuijer een centrale plaats. Izebel voert tot haar dood een bittere strijd met Elia. ‘Deze man haatte me […] Het was om een wereld achter me waarin ik zwom als een vis in het water, maar die voor hem een duistere poel was vol onbekende gevaren. De wereld van schoonheid, de liefde, de wellust en de lach.’ Het lijkt op de analyse toen in november islamitische terroristen het vuur openden op terrassen en concertbezoekers in Parijs.

Elders laat Kuijer Achab verzuchten: ‘Wat is er toch met de mensen aan de hand dat ze de goden wreder en dommer willen maken dan ze zijn? Wat mankeert de vromen dat ze hun god koud maken als steen, onwrikbaar, haatdragend en jaloers zoals hun eigen hart?’ Die onwrikbaarheid heeft tegenwicht nodig en precies dáár zit de ideologie van Kuijer (laten we het geen evangelie noemen).

In het tweede deel, als de profetes Chulda lange gesprekken voert met de weinig geloofde profeet Jona, komt het boek vol poëticale observaties te staan. Daar gaat het tempo van het verhaal omlaag, maar tekent Kuijers missie zich scherp af. Hij wil de verhalen terugveroveren op de ideologen met hun ijzeren overtuigingen – of ze nu profeet zijn van Jaweh, Jezus, Allah, Marx, Hitler of de kloten van de hond. Zoals Chulda opmerkt: ‘De verteller kan een schurk zijn, maar het verhaal dat hij vertelt kan belangrijker zijn dan de vraag of de verteller deugt.’ Daarin zijn niet alleen Kuijer en Boon wapenbroeders, maar alle schrijvers – en hun lezers trouwens ook.

    • Arjen Fortuin