Nieuws uit ontvluchte werkkamers

Paul Ostwald heeft het Journal of Interrupted Studies opgericht. Dat publiceert over onaffe wetenschap die gevluchte onderzoekers achterlieten.

Paul Ostwald: „Het tijdschrift geeft vluchtelingen een kans hun afgebroken, intellectueel werk voort te zetten.” Foto Chris Keulen

De 19-jarige Duitser Paul Ostwald studeert sinds anderhalf jaar in het Engelse Oxford. Daar kreeg hij het idee om een tijdschrift op te zetten, speciaal voor academici die op de vlucht zijn en hun onderzoek moesten afbreken. Het eerste nummer van het Journal of Interrupted Studies verschijnt over een paar weken.

Waarom dit tijdschrift?

Ostwald, aan de telefoon: „Ik zag op tv veel berichtgeving over vluchtelingen. Heel empathisch vaak, maar ook vrij simpel. Over vluchtelingen werd steeds gesproken als arme mensen die veel hulp nodig hebben. Dat irriteerde me. Ik wil dat beeld veranderen.”

Want het klopt niet?

„Het is te simpel. Ik werd er nog eens in bevestigd toen ik rond Pasen, samen met twee vrienden, een paar weken vrijwilligerswerk deed in een vluchtelingenkamp op Lesbos. Onder de vluchtelingen waren nogal wat hoogopgeleide mensen.

„Ik zag ook dat die gevluchte academici geen perspectief hadden hun werk voort te zetten, en te publiceren. Het sterkte mij in mijn idee om dit tijdschrift te beginnen. Om vluchtelingen een kans te geven hun afgebroken, intellectueel werk voort te zetten. En om de integratie te bevorderen.”

Hoe moet dit de integratie bevorderen?

„Politici kunnen het kader bieden. Maar uiteindelijk moet het gebeuren tussen mensen. Er moet interactie zijn, wil je er echt achter komen wie deze vluchtelingen zijn, hoe ze denken, welke ideeën ze hebben. De reactie die je nu ziet is toch dat veel mensen bang zijn.”

En zijn die bange mensen dan degenen die je tijdschrift gaan lezen?

„Weet ik niet. Maar laat ik een ander voorbeeld geven. Begin april heeft er een interview met me in Der Spiegel gestaan. Ik heb daarna heel veel mails gekregen van mensen zónder academische achtergrond. Er waren er bij die voor het eerst de twee woorden ‘vluchteling’ en ‘academicus’ samen hoorden. Hopelijk helpt het mensen hun beeld bij te stellen.”

Wat was de toon van die e-mails?

„De meeste erg positief. Mensen boden hulp aan. Sommigen geloofden het verhaal niet en wilden meer weten. Die hebben we in contact gebracht met sommige van onze auteurs. En er waren ook enkele zeer onplezierige reacties. Dat hadden we verwacht.”

Kunnen alleen vluchtelingen artikelen inzenden?

„Ja. Maar daar rekenen we ook mensen bij die zijn verbannen. We hebben geen duidelijke definitie willen vastleggen van wat een vluchteling is.”

Waar komen de auteurs vandaan?

„Uit allerlei landen. Syrië, Afghanistan, Eritrea, Gambia, Irak, noem maar op.”

En wat sturen ze dan in? Hoe schrijf je een artikel over onderzoek dat is afgebroken?

„De opzet is niet zoals die van de standaard wetenschappelijke tijdschriften: met een inleiding, materiaal en methode, resultaten en conclusie. In ons eerste nummer staat bijvoorbeeld een stuk over het effect van immigratie op de Duitse demografie en de arbeidsmarkt. Er is ook een evaluatie van het coöperatiemodel voor boeren en kleine ondernemers op het platteland van sub-Sahara Afrika.”

Moeten de auteurs betalen voor publicatie?

„Nee, het is andersom. Wij proberen hén te betalen. Dat is in ieder geval het doel. We zoeken nog vaste sponsors.”

Hoe krijg je het geld voor het tijdschrift bij elkaar?

„Er zijn veel privé-donaties gedaan, van mensen die tussen de 10 en 150 euro geven. Daarnaast is er een Oostenrijkse organisatie, Act Now, die ons met een groter bedrag sponsort. Maar willen we blijven doorgaan, dan hebben we meer nodig. Het drukken van het eerste nummer, dat in juni verschijnt, kost 2.000 euro.”

Krijgen de redacteuren niet betaald?

„Nee. Ze doen het vrijwillig. Ik ben begonnen met wat vrienden uit Oxford. Maar we beseften al gauw dat wij niet in de positie zijn om de kwaliteit van alle ingezonden stukken te beoordelen. Intussen zijn er heel wat academici die stukken reviewen. De meesten werken aan de universiteiten van Oxford, Heidelberg en aan de Humboldt Universiteit.”

Hoe is de kwaliteit van de inzendingen?

„Soms verrassend goed, maar soms ook zwak. Er zit een grote scheiding tussen werk dat is opgestuurd door studenten en door afgestudeerden.”

Wat heeft je bijvoorbeeld verrast?

„Een Syrische vluchteling heeft onderzoek gedaan naar de factoren die tot de burgeroorlog hebben geleid. Hij had geen toegang tot bibliotheken en internet. Hij heeft kranten gebruikt, en allerlei mensen gesproken. Journalisten, politici. We zijn dat artikel nu aan het factchecken.

„Voor het eerste nummer hadden we 30 inzendingen. Daar hebben we er 9 van geselecteerd, en daarvan drukken we er waarschijnlijk 6 af. Het eerste nummer wordt in een oplage van 2.500 verspreid over universiteiten in Groot-Brittannië en Duitsland. En een aantal boekhandels. Overal ligt het gratis. Het zal ook op onze website te lezen zijn.”

Hoe weet je dat de mensen die iets inzenden daadwerkelijk vluchtelingen zijn?

„Niet. We moeten onze mensen vertrouwen. Wel zoeken we na of de stukken elders al gepubliceerd zijn. En we vragen de auteurs om een cv. Dat is het.”

Ben je opgegroeid in Duitsland?

„Tot mijn zesde heb ik in Keulen gewoond. Daarna zijn we naar Kenia verhuisd. Op mijn dertiende gingen we naar Moskou. Dat heeft met het werk van mijn moeder te maken. Ze is buitenlandcorrespondent voor de Duitse tv, de ARD.

En je vader?

„Hij maakt documentaires.”

Verbind je je makkelijk met vluchtelingen omdat je in zoveel landen hebt gewoond?

„Ik denk het niet. Maar het heeft me wel iets geleerd: het is essentieel dat mensen met verschillende culturele achtergronden met elkaar praten, willen ze elkaar beter leren kennen.”

    • Marcel aan de Brugh