Nader tot haar – al lukt dat niet helemaal

Wanneer een moeder vijf dagen en nachten naast het ziekbed van haar dochter zit, doen de twee een poging tot toenadering. Alles passeert de revue om na het herstel elkaar daarna niet meer te spreken.

Bewonderenswaardig, hoeveel lagen een schrijfster in een korte roman aan kan brengen en tegelijkertijd hoeveel ze onbeschreven kan laten. Waar Elizabeth Strout in haar briljante, met een Pulitzer bekroonde roman Olive Kitteridge een breed palet hanteerde voor het schilderen van een portret van een uitzonderlijk romanpersonage, heeft ze in deze nieuwe roman gekozen voor een miniatuur, met kleine, precieuze streken aangezet, maar met intrigerend lege plekken.

Het boek is geschreven in het heden maar speelt zich hoofdzakelijk af in vijf dagen en nachten in de jaren tachtig wanneer de moeder van Lucy Barton totaal onverwacht bij het ziekenhuisbed van haar dochter komt zitten. Lucy is opgenomen in een ziekenhuis op Manhattan met complicaties na een blindedarmoperatie. Onverwacht, want Lucy is vervreemd van haar moeder, van haar hele familie.

Ze praten over van alles. Over meisjes uit het stadje waar ze opgroeide, en wat er van hen geworden is. Over haar zonderlinge oudere broer, die nog thuis woont, geen baan heeft en ’s nachts in de boerderij van de buren bij de dieren slaapt die de volgende dag geslacht gaan worden. Over de verpleegsters, die ze bijnamen geven. Over de aardige, zorgzame joodse dokter die elke dag langskomt. Over van alles, als het maar niet gaat over de dingen die voor Lucy belangrijk zijn: haar jeugd, haar (dan nog intacte) huwelijk, haar ondertussen succesvolle carrière als schrijfster. En al helemaal niet over het Iets.

Schaamte

Want wat is dat Iets (‘zoals ik het voor mezelf noemde’) dat dat zo belangrijke herinneringen aan haar jeugd domineert? Is het de lange bruine slang die aan haar voeten kronkelde toen ze weer eens in de cabine van de pick-up van haar vader was opgesloten? Is het de botte afwijzing door haar ouders toen ze haar aanstaande man van Duitse afkomst aan hen kwam voorstellen? Is het, in combinatie daarmee, haar vaders oorlogstrauma? Is het de keer toen haar broer door haar vader de straat opgejaagd werd in zijn moeders kleren? Of is het dit allemaal, ingebed in een gevoel van algehele schaamte over de schraalheid van hun bestaan, de armoede, het isolement van haar jeugd dat haar doet noteren: ‘Eenzaamheid was de eerste smaak die ik in mijn leven had geproefd, en ze was er altijd, verstopt in de groeven van mijn mond, om me niet te laten vergeten’?

Het is die eenzaamheid die haar al op jonge leeftijd doet besluiten te gaan schrijven, immers, ‘boeken zorgden dat ik me minder alleen voelde. En ik dacht: ik ga schrijven en dan voelen mensen zich niet zo alleen.’

Ze koestert de herinneringen aan een andere schrijfster die ze enkele malen ontmoette en van wie ze de uitspraak heeft onthouden: ‘Het is niet mijn taak om lezers het verschil bij te brengen tussen de stem van de verteller en de eigen mening van de schrijver.’ Een even krachtige als subtiele verwijzing in de richting van de lezer die – het is dikwijls zo verleidelijk wanneer een auteur een karakter schept dat schrijft – naar overeenkomsten wil zoeken tussen Lucy Barton en Elizabeth Strout.

Dus: het is Lucy en niet Elizabeth die in die vijf dagen en nachten, hoe onbeholpen ook, dichterbij haar moeder probeert te komen, haar moeder die toen Lucy borsten begon te krijgen haar vertelde dat ze ‘begint te lijken op een van de koeien uit de stal van de Pedersons.’ Haar moeder die de woorden ‘ik hou van je’ ondanks herhaalde aanmoedigingen niet uit haar mond kan krijgen. Haar moeder die haar (‘maar ik kan me vergissen’) nooit een zoen gaf. En toch is Lucy ‘zo blij, zo blij’ dat haar moeder aan haar ziekbed zit en lijkt ze niet wanhopig als de echte toenadering uitblijft in die vijf etmalen. Want, zo leren we later, het zou negen jaar duren voordat ze haar moeder nog eens zou zien – en dan voor het laatst. Op haar sterfbed vraagt ze Lucy om weg te gaan, niet morgen maar ‘nu alsjeblieft. Alsjeblieft liefje.’

Wat een subtiel en compassievol vormgegeven alledaags drama is dit. Bij herlezing openbaren zich nog meer sprekende details, en wordt de stem van Lucy Barton, met al zijn nuances van doortastendheid en tekortkoming, van pijn en genegenheid nog indringender en levensechter.

    • Jan Donkers