Mijn gedachten duizelen om u

In de 19de eeuw waren schrijvers als Multatuli en François Haverschmidt (Piet Paaltjens) sterren. Vergeet ook ‘volksdichter’ Tollens niet. Hij bracht borstbeeldjes van zichzelf op de markt.

Een moderne invalshoek: literaire roem en BN’erschap. Wie waren de Harry Mulischen, Adriaan van Dissen en Connie Palmens van de 19de eeuw? vroeg Rick Honings (1984) zich af. Hij schreef er een leuk boek over: De dichter als idool. Aan de hand van de reputatie onder lezers (en soms ook niet-lezers) volgen we de publieke status van de dichters Willem Bilderdijk (1756-1831), Isaac da Costa (1798-1860), Elias Anne Borger (1784-1820), Hendrik Tollens (1780-1856), Nicolaas Beets (1814-1903), François Haverschmidt alias Piet Paaltjens (1835-1894) en Multatuli (1820-1887).

Het is een boek over fandom, en de al dan niet bewuste positionering door de schrijver zelf in het publieke domein. Over auteursstandbeelden, inzamelingen, schriftelijke eerbewijzen, literair toerisme (bedevaarten naar de woonstee van de dichter), en de irritatie die zoiets bij de aanbeden dichter kan opleveren.

Bilderdijkbiograaf Honings, docent moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Leiden, is uiterst goed thuis in de 19de-eeuwse literatuurarchieven en diepte schitterende verhalen op. Op de zeventigste verjaardag van ‘volksdichter’ Hendrik Tollens werd een voor de gelegenheid vervaardigd borstbeeld tentoongesteld in het Rotterdamse Museum Boijmans. Niet minder dan 4.500 mensen kwamen het bezichtigen, vertelt Honings, onder wie twee eenvoudige vissersvrouwen.

‘Ken jij Tolles niet? Dat is het beeld van den dichter Tolles.’

‘Nou, wat ken jou ’t scheelen hoe die eruit ziet. Je kent em toch niet.’

‘Ken jij ‘t volkslied Wien Neêrlands bloed dan niet?’

‘Zeker ken ik dat.’

‘Nou, dat heit hij emaakt.’

Honings richt zich uiteraard op gerichter fandom, en op wat hij noemt de ‘self-fashioning.’ In dat laatste past het verzoek van Tollens om gipsen miniatuurkopieën van zijn borstbeeld op de markt te brengen, bewonderaars hadden hier t al eerder om gevraagd.

Kapperszoon

We lezen verder over luisteraars die zwijmelen bij een van de publieke voordrachten van de charismatische dichter Da Costa, of jonge vrouwen die zich melden voor het door Multatuli in het leven geroepen ‘Waarheidsbevorderende’ Legioen van Insulinde.

Prachtig ook is de brief van de eenvoudige Leidse kapperszoon en Piet Paaltjens-fan Knaap, die een portret van Haverschmidt mocht ontvangen en reageerde met ‘Mijnheer mijn gedachten duizelt bij alles wat er doorgaat en voor mijn geest zweeft.’ Daar spreekt de echte fan. Na diens zelfmoord was het echter vooral de geliefde predikant in Haverschmidt die men begroef, in plaats van de schepper van Piet Paaltjens. Een nationale gebeurtenis was het beslist niet.

Dat was wel anders bij de viering van Beets’ zeventigste levensjaar in 1884. Commandeurskruis, bloemen, kransen, toonkunstconcert, huldestukken in alle kranten, lofdichten, eigen sigarenmerk. ‘De grootste huldiging van een levende dichter in het Nederland van de negentiende eeuw,’ concludeert Honings. Die van Tollens eindigt dan als goede tweede.

De dichter als idool gaat over ijdelheid versus bescheidenheid, publiek versus privé. Het is rijk aan details, mooie, soms grappige anekdotes en het geeft een fraai beeld van het literaire leven in de 19de eeuw. Tegelijkertijd wringt er iets in. Honings noemt de Beets-hulde vooral een kwestie van ‘elitaire fancultuur’. Je kunt je afvragen of het niet eerder een kwestie is van elitaire cultuur. Afgezien van Beets’ vroege prozahoogtepunt Camera Obscura (1839) was hij de belichaming van de brave dominee-dichter, precies het type dat de gevestigde klasse graag zag. Kunstenaars en dichters moesten de nationale beschaving (‘het zedelijke peil’) bewaren en bevorderen, Beets was een schoolvoorbeeld. Huldiging van zijn verdiensten was dus eerder een huldiging van de eigen status quo dan een kwestie van fandom. Dat Multatuli een dergelijke hulde werd onthouden bewijst hetzelfde – diens oeuvre ondermijnde juist de heersende klasse, zijn grootste fans vond men onder vrijdenkers en socialisten. Het outlaw-achtige, de (vrijwillige) langdurige Duitse ballingschap van Multatuli, en de vurige verering die hem onder genoemden ten deel viel doet hem weer wél onder de literaire idolen rangschikken – al was hij geen ‘dichter’, zoals Honings hem nadrukkelijk noemt.

Dagjesmensen

Aan De dichter als idool gaat een uitstekende inleiding vooraf, over fandom in het algemeen, van de Oudheid (Alexander de Grote) tot nu (Lady Gaga) en dat in de literatuur in de 19de eeuw (Goethe, Byron, Victor Hugo). Dit overzicht vormt het kader waarin de Nederlandse dichtershelden worden beschreven. Maar het is als een erg ruim zittende jas, de beschrevenen verzuipen er een beetje in. Honings heeft het bijvoorbeeld op veel plaatsen over ‘literair toerisme’, je stelt je er dagjesmensen bij voor die even wat aan cultuur doen, door bij voorbeeld naar Tollens’ huis in Rijswijk te reizen. Het overgrote deel van Honings ‘literaire toeristen’ bestaat echter uit jongere collega-dichters, die hun bewonderde voorbeeld of gewaardeerde kunstbroeder bezoeken. Daar past het woord fan niet echt bij. Maar zoals al eerder gezegd: De dichter als idool is een leuk boek.

    • Atte Jongstra