Twintig jaar na publicatie maakt I Love Dick glorieuze comeback

Interview Chris Kraus Een toevallige ontmoeting liep uit op een lange correspondentie, en het succesvolle boek I Love Dick. ‘Fictie? Het kwam niet in me op.’

Chris Kraus: Een ‘opmerkelijke studie van vrouweljke vernedering’, schreef Eileen Myles over Kraus’I Love Dick Foto Rogers Cremers

Chris Kraus kijkt me verbaasd aan. Waarom ze nooit heeft verhuld dat haar roman I Love Dick (1997) over háár ging, over háár huwelijk, háár verliefdheid, háár Dick? „Het leek me allemaal vrij duidelijk: de vrouw in het boek heet Chris, de liefdesbrieven zijn geschreven in de eerste persoon. Waarom zou ik me in bochten wringen om te doen alsof het allemaal fictie is? Het kwam niet eens in me op.”

I Love Dick vertelt het verhaal van Chris Kraus, 39, experimentele filmmaker, en haar echtgenoot Sylvère Lotringer, 56, literatuurprofessor. Op een avond na een etentje met een goede kennis van Sylvère, de cultuurcriticus Dick, blijven ze bij Dick overnachten. Dick flirt met Chris, Chris raakt halsoverkop verliefd op Dick. Dagenlang raakt ze niet over hem uitgepraat. Sylvère en Chris besluiten brieven aan hem te schrijven. Dit is het begin van een project waar ze allebei volledig in opgeslokt raken, en dat voor Chris algauw verandert in een radicaal zelfonderzoek: naar haar mislukte kunstcarrière, haar huwelijk, haar verlangen te worden begeerd, en misschien vooral: haar verlangen te worden gehoord.

Mensen hielden van het boek, ze haatten het, ze maakten er ruzie over

De brieven worden een vehikel voor haar beschouwingen en analyses; van kunst tot schizofrenie, van activisme in Guatemala tot SM. Als roman ontsnapt I Love Dick steeds aan zijn eigen vorm, iedere genreaanduiding is onzinnig, en wie zit te wachten op een keurig opgebouwde spanningsboog is bij Kraus (1955) ook aan het verkeerde adres.

„Toen ik de brieven aan Dick schreef, was ik me er niet van bewust dat het een boek zou worden. Mijn eerste hoop was dat Dick zou terugschrijven, en dat we een affaire zouden beginnen. (lacht) Toen dat niet gebeurde, bleek het veel meer om het schrijven zelf te gaan dan om een persoon of mijn verliefdheid. Het schrijven van I Love Dick was de transcriptie van een ervaring. In de stukken tussen de brieven door, de stukken die ik er later aan heb toegevoegd en die in de derde persoon zijn geschreven, probeerde ik zo accuraat mogelijk weer te geven wat er was gebeurd.

„Ik ben geen Grote Schrijver, ik schrijf geen lyrisch of ornamenteel proza, maar ik kan op z’n minst een zo groot mogelijke nauwkeurigheid nastreven. Ik houd van reportage, en dat is de esthetiek die ik beoog. Hoe accurater ik schrijf, hoe dichter ik bij de emotie kom. Ik denk dat ik pas zo laat in mijn leven ben gaan schrijven, omdat ik nooit wist tot wie ik me moest richten. De briefvorm loste dat probleem op: er is een direct geadresseerde, er is een ‘ik’ die gewoon ondubbelzinnig ik mag zijn.”

De dichter en schrijver Eileen Myles schreef in haar introductie bij uw roman dat die een ‘opmerkelijke studie van de vrouwelijke vernedering’ is en dat de kracht ervan is dat Chris die vernederingen met opgeheven hoofd tegemoet treedt.

„Dat klinkt goed, maar je kan ook zeggen dat het naïviteit was. Ik was nooit bezig met iets vernederends of abjects. Ik streefde alleen waarachtigheid na. Überhaupt heb ik niet veel op met het woord abject. Het impliceert een vernedering die er niet noodzakelijkerwijs hoeft te zijn. I Love Dick gaat over menselijk gedrag. Miskenning, frustratie en obsessie zijn daarvan wezenlijke onderdelen.”

Nu, achttien jaar na publicatie, beleeft I Love Dick de ene vertaling na de andere. Al twee weken toert Kraus door Europa voor interviews van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat.

Is het vreemd, zo’n triomftocht, bijna twee decennia na dato?

„Dit boek lijkt een eigen leven te leiden. In allerlei landen slaat het ineens aan. Ja, waarom nu? In 2006 werd het in Amerika heruitgegeven. Dat was in een tijd dat veel jonge, intelligente schrijfsters blogs en Tumblrs bijhielden, als alternatief voor de feministische zines uit de jaren ’90. Ik denk dat I Love Dick hen aansprak omdat het ook wel iets van een blog heeft: de stijl is onopgesmukt, persoonlijk. De briefvorm maakt dat de lezer, net als bij een blog, direct wordt aangesproken. Hoe dan ook begonnen de bloggers erover te schrijven, en hun publiek was natuurlijk vele malen groter dan dat van die gefotokopieerde blaadjes.

„Maar het verhaal rond dit boek luidt niet: het werd eerst genegeerd en nu is het ineens opgeduikeld. Het boek deed destijds precies wat ik hoopte dat het zou doen bij een — beperkt — publiek van kunstenaars en intellectuelen. Mensen hielden ervan, haatten het, maakten er ruzie over. Het was bij verschijning meteen polariserend. Nu, bijna twintig jaar later, lijkt het lezers eerder te verenigen dan uit elkaar te drijven.”

Heeft het ermee te maken dat we meer gewend zijn geraakt aan radicale vormen van openheid?

„Toen het boek verscheen, was de grootste controverse dat ik inbreuk zou hebben gemaakt op de privacy van de geadresseerde. Zijn identiteit had ik op alle mogelijke manieren proberen te verhullen: ik noemde geen achternaam, veranderde zijn uiterlijke kenmerken, zijn boektitels. Maar toen hij in een artikel zei dat ik een gemene heks was en mijn project verwerpelijk, liet hij zichzelf citeren met zijn achternaam! Tja, toen wist iedereen wie hij was.

„Ik schreef I Love Dick aan het begin van het internettijdperk. Het idee dat vrouwen zich hielden aan een onuitgesproken gelofte van stilte over hun contacten en relaties met mannen, was nog altijd van kracht. Dus toen mijn boek die gelofte verbrak, toen ik openlijk schreef over wat me bezighield, werd dat beschouwd als schokkend en radicaal. Nu, met sociale media en blogs, is die openheid veel normaler geworden.”

In ‘I love Dick’ wordt er voortdurend rondgereisd, binnen de VS maar ook naar Guatemala. Uw roman ‘Torpor’ speelt zich voor een groot deel af in Roemenië, en in ‘Aliens & Anorexia’ is Berlijn een belangrijke locatie. Altijd is er een grote interesse voor geschiedenis en cultuur. Uw boeken lezen als monumenten voor de 20ste eeuw.

„Ja! Mijn romans zijn in zekere zin antropologische onderzoeken naar verschillende delen van de Amerikaanse en Europese cultuur. Ik schrijf nu aan biografie van de schrijfster Kathy Acker, die stierf in 1997. Ik zie het zelf meer als een allegorie, een fabel over cultuur in de twintigste eeuw: van haar droom om een grote dichter in de Beat-traditie te worden, tot de jaren negentig, waarin dat al was verworden tot een belachelijk idee. De rol van de schrijver in de maatschappij was al zozeer veranderd tegen die tijd. De schrijver had geen verheven positie meer, en uitgeven werd in toenemende mate commercieel.”

Wat vindt u daarvan?

„Er is niet zoveel van te vinden, het is een vaststaand, historisch feit. Er waren goede dingen aan het idee van de publieke intellectueel, de Grote Schrijver, maar een groot nadeel was dat ze uitsluitend mannelijk waren. Er is altijd wel een kiertje in de muur waar een paar intellectuele vrouwen tussendoor konden glippen – Simone de Beauvoir, Susan Sontag, Julia Kristeva: de uitzonderlijke vrouwen. Die wílden ook allemaal de uitzondering zijn. Voor andere vrouwen was dat vernietigend, want het betekende dat je geen collega’s kon hebben, geen cohorte kon vormen. Gelukkig hebben vrouwen dat idee inmiddels verworpen. Wat ik nu om me heen zie, zijn vrouwelijke schrijvers die elkaar ondersteunen, solidair zijn, genereus.”

Is dat belangrijk?

„Absoluut. Dat is één van de redenen waarom het patriarchaat altijd zo goed functioneerde: de mannen stonden samen, en de vrouwen keerden zich onderling tegen elkaar.”

Wat vindt u ervan dat uw boek een feministisch manifest wordt genoemd?

„Zo heb ik het nooit bedoeld, al zal ik me van zo’n definitie niet distantiëren. Ik heb nooit veel affiniteit gehad met academisch feminisme, het feminisme van de jaren negentig – en dat feminisme ook niet met mij trouwens. (lacht) Maar feminisme is zoveel diverser geworden, het heeft nu zoveel verschillende vormen en gedaanten. Het feminisme dat me aantrekt, is feminisme dat niet alleen gepreoccupeerd is door zelfemancipatie, maar ook en vooral door een nieuwe manieren om naar de wereld te kijken.”

Is het belangrijk om radicaal te zijn?

„Ja. Radicaal als ‘fundamenteel’, als ‘terug naar de wortel’; als er een onacceptabele situatie is: zoeken naar wat die situatie veroorzaakt.

„Ik ben altijd wantrouwend geweest ten opzichte van oprechtheid. Wat zichzelf presenteert als oprecht, is meestal het tegenovergestelde daarvan. Oprechtheid is zo’n Amerikaans cliché. Aan de andere kant: het woord ‘complex’, toch in veel opzichten het tegenovergestelde van ‘oprecht’, wordt ook te pas en te onpas gebezigd. In deze tijd wordt complexiteit als excuus voor niet-handelen gebruikt. Alsof activisten van tien, twintig jaar geleden zich niet bewust waren van complexiteit en gewoon gedachteloos de strijd aangingen. Als iemand die een marxist was in haar jonge jaren, denk ik dat dit verkeerd is. Iedere omstandigheid, iedere realiteit, heeft een oorzaak. Er is altijd een antwoord; je moet gewoon hard genoeg je best doen om dat te vinden.

„Mij valt het op dat veel mensen hun levens op eenzelfde manier inrichten. Er is een marge waarbinnen je beweegt. Er lijkt, ook als kunstenaar, weinig ruimte te zijn om daadwerkelijk anders te leven zonder te worden beschouwd als een mislukkeling.

„Ja, dat is waar. Al romantiseren we het nu misschien te veel. Mensen die wij nu als grote kunstenaars beschouwen, en die een leven buiten de gebaande paden leidden, werden door hun tijdgenoten misschien ook gewoon gezien als mislukkelingen.

„Ik werd laatst gevraagd om in de jury te zitten van een essaywedstrijd. Of ik de tien beste inzendingen wilde lezen. Ik dacht: misschien zit er iets bij over klimaatproblematiek, politiek, armoede, et cetera. Het bleken tien verschillende versies van hetzelfde essay over een Amerikaanse kindertijd te zijn. Alle schrijvers kwamen van Creatief Schrijvenprogramma’s. Waarom zou je naar zo’n opleiding gaan als je niets anders om over te schrijven hebt dan je eigen jeugd?

„Er lijkt een apolitieke norm te gelden voor geschikte schrijfonderwerpen. Harvard en Columbia zijn synoniemen geworden voor ‘universiteit’, alsof niemand nog ergens anders naartoe gaat. Je twintiger jaren breng je door in Bushwick, New York. Er is zo weinig variatie: hogere middenklasse, bepaalde universiteiten… Er is een groot diversiteitsprobleem in de kunsten en literatuur. Niet alleen wat etniciteit, maar ook wat klasse betreft.”

    • Niña Weijers