Grenzeloze Rotterdammers

Sinds de Tweede Wereldoorlog is geen stad in Nederland zo veranderd als Rotterdam. Niet alleen qua architectuur, ook wat betreft de bevolkingssamenstelling. Meer dan 170 nationaliteiten hebben hier soms al een generaties lange geschiedenis. Hun verhalen vormen het Rotterdammerschap.

In de zomer van 1980 keerden mijn ouders terug van hun bruiloft in Polen. Het IJzeren Gordijn hing er nog. Ze waren in Polen getrouwd zodat mijn moeder altijd terug kon naar haar geboorteland. Over de Van Brienenoordbrug reden zij Rotterdam binnen zoals wij ook na iedere zomer in Polen Rotterdam binnenreden. Op de brug keken we uit over de Maas. Altijd kwam dezelfde vraag op: wat is er veranderd? Bouwputten waren gedicht, gebouwen voltooid, nieuwe putten lagen open. Mijn moeder vertelde over hoe de stad eruit zag toen zij er kwam wonen. Kale vlaktes, Van der Louw was burgemeester, de wederopbouw was in volle gang. Net aangekomen, zonder vaste grond onder haar voeten, ging zij mee in de Rotterdamse bewegingsdrift.

In die bewegingsdrift zag ik een strijd. Met de familie die achterbleef, om mee te doen en geaccepteerd te worden. Mijn Nederlander -en Rotterdammerschap zijn vanzelfsprekendheden, maar dat is niet voor iedereen zo. Wat als ze in twijfel worden getrokken of jouw verhaal niet wordt gehoord?

In 1951 kwam Distefano Noija’s vader aan op de Rotterdamse Lloydkade. Hij was tiener en werd door zijn ouders naar Nederland gestuurd. Voor Molukkers werd Indonesië onveilig nadat zij hadden gediend in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Samen met twaalfduizend anderen stak Distefano’s vader de Indische Oceaan over met het idee om na de onafhankelijkheid terug te keren. Tegenwoordig wonen hij, zijn vrouw en kinderen in de Molukse wijk in Oostgaarde en heeft hij besloten in Nederland te worden begraven. Op de dag dat Republik Maluku Sematan wordt herdacht, hijst Distefano de Molukse vlag.

„Ik geloof er nog steeds heilig in”, zegt Distefano. „Ons verblijf hier is in feite tijdelijk.” Rechts van het kerkplein, waar het vlaghijsen plaatsvindt, wonen Molukse Nederlanders, links ervan Hollandse Nederlanders. Eén van hen woont er dertig jaar. Vanuit haar woonkamer is de herdenking te zien. ’s Ochtends klonk het getrommel. „Na al die jaren word ik er niet wakker van.” Daarna werd de vlag gehesen. „Geen idee waarom.” Er werd gezongen. „Gezellig, toch?” De vrouw kijkt naar haar overburen. „Hun tuintjes worden ook steeds netter.”

Het Molukse verleden en de jaarlijkse herdenking zijn onderdeel van de Rotterdamse geschiedenis, maar zijn voor velen onbekend. In april 2016 telde de stad volgens de afdeling Onderzoek en Business Intelligence van Gemeente Rotterdam 316.029 Rotterdammers van Nederlandse en 314.903 Rotterdammers van niet-Nederlandse origine (ten minste één ouder is in het buitenland geboren). De dominante cultuur wordt vervangen door diversiteit. Tijdens mijn studie geschiedenis was dat een van de eerste lessen: het verleden kent vele gezichten. Samen zorgen zij voor de gedeelde gemeenschap, die een stad nodig heeft. Alleen door onze verhalen door te geven, begrijpen wij elkaars context. Niet voor niets zijn de verhalen van de mensen die de stad hebben gemaakt, maken en zullen maken de rode draad van de manifestatie Rotterdam Viert de Stad!.

„De tijd zal leren hoe tijdelijk tijdelijk is”, vertelt Distefano terwijl hij langs het kerkplein loopt. „In de wijk kan ik het Moluks zijn aan mijn kinderen doorgeven. Ik wil niet meer weg. Alleen naar de Molukken. Ik ben er nog nooit geweest. Als we een eigen staat hebben, moet ik kiezen. Blijf ik voor mijn kinderen en vrouw hier of vertrek ik voor mijn volk daar?”

Meestal gaat de keuze om te blijven geleidelijk. Terwijl je werk zoekt, een woning en school voor jouw kinderen nadat zij hier naar toe komen door gezinshereniging of in Nederland worden geboren. In een omgeving waarin niemand je verwacht en niemand weet hoe op jou te reageren. Iedereen moet het maar zien te rooien.

Boka Nathie ging mee in wat hij tegenkwam toen hij, enkele jaren voor de Surinaamse onafhankelijkheid, naar Nederland verhuisde. Het was 1972, in de Afrikaanderwijk waren de eerste rassenrellen van Nederland geweest. „Pensions zaten vol met mannen uit Turkije. Hollanders gooiden stenen door de ruiten. Busjes ME stonden buiten. Met de gastarbeiders uit de jaren zestig waren zij de eerste buitenlanders. De Hollanders waren het niet gewend. Ik had nergens last van. Ik had een Nederlands paspoort en ging met iedereen om. Skinheads, hippies en punkers. Ik sliep op straat, in parken en kraakpanden, bij het Station Centraal en de Laurenskerk. Geld was niet belangrijk, we waren vrij.”

In de hoek van zijn kamer ligt een opengeslagen koffer. „Ik had een container geregeld”, vertelt Boka. Al zijn kleding zou er in gaan. Potten, pannen, shampoo en zeep, een fiets en zijn hoed. „Er paste drie kuub in.” Zijn smoking en tien paar schoenen. Naast elkaar staan ze in het gelid. Van beige tot zwarte, met harde neuzen om te lakken. „De laatste keer in Suriname had ik twee paar meegenomen. Mijn vroegere klasgenootjes riepen mij na. ‘Boka, jouw schoenen glimmen! Het gaat vast goed met jou.’ Ze noemden me Michael Jackson. Hij had ook van die glimmende schoenen. Als ik niets te doen heb, maak ik ze één voor één schoon.” Ook die zouden in de container gaan. „Remigreren, noem je dat zo? Na twintig jaar zou ik terugkeren naar Suriname. Op kosten van de staat zou de container bij de eindbestemming worden bezorgd. Alles stond klaar.”

Wij hadden thuis geen opengeslagen koffers, wel een grootmoeder die met elk belletje vroeg of wij bij haar kwamen wonen in Polen. Door de migratie ontstond verwijdering. Mijn moeders geboorteland raakte steeds verder weg. In plaats van Poolse vrienden, kwamen er Nederlandse vrienden. In plaats van Pools, spraken wij Nederlands. Van mijn moeders thuisland werd Polen ons vakantieland. Met het verstrijken der jaren werden de banden losser. Mijn grootouders overleden, Polen glipte weg tussen mijn vingers.

In de jaren negentig zagen de vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië hun land vervliegen terwijl de onderlinge strijd in Nederland doorging. Twintiger Dalila Jelacic herinnert zich dat haar Bosnische ouders de vriendschap met de Servische Nikolina uit hun dochters hoofd probeerden te praten. Na haar studie aan de Erasmus Universiteit trouwde Dalila met een Bosnische jongen en was Nikolina getuige. „Mensen zeggen dat ik zo aangepast ben, dat ik niet zie dat ik ben aangepast. Laatst las ik dat ex-Joegoslaven één van de beter geïntegreerde groepen zijn. Dat maakt mij trots.” Haar trots voelt wrang. Het is een ideaal wanneer iemand aankomt. In werkelijkheid is xenofobie in het afgelopen decennium alleen maar meer aan de oppervlakte komen liggen.

Tijdens zijn laatste bezoek aan Suriname werd Boka onterfd. De spullen zouden de container nooit zien. De koffer bleef in Delfshaven, met de shampoo en zeep er nog in en de schoenen naast elkaar in het gelid.

Een man die anoniem wil blijven, uit Syrië, had geen spullen bij zich. Al zijn bezittingen zaten in zijn binnenzak. Als vluchteling reisde hij door Turkije en Griekenland en ploegde hij in Nederland van het ene naar het andere asielzoekerscentrum. Hetzelfde ‘rondje Nederland’ legde Dalila twintig jaar eerder af met haar ouders. Gedurende het maandenlange wachten keek de Syrische man filmpjes op You Tube om de taal te leren. Het ‘rondje’ is waar de geschiedenis in Nederland voor de vluchtelingen begint.

Op een braakliggend terrein van een toekomstig azc worden leidingen gelegd. Een Beverwaarder zit in zijn voortuin en kijkt uit over het stuk grond. Volgens hem is het een nette buurt. „Straks is alles voor niets geweest en begint alle ellende van vroeger opnieuw. Of ze gooien een bom op m’n huis. Zulke dingen lees je. Mijn huis is met 15.000 euro in waarde gedaald. Dat komt daardoor, ik weet het zeker. Ik werk hier tegenover. Alles wordt extra beveiligd. Ik zie nu al meer politie in de straat. Zou jij in zo’n buurt willen wonen dan?”

„Mensen hebben het recht om bang te zijn”, zegt de Syrische man. „In Syrië werden mijn huis, winkel en auto verwoest. Niet iedereen is goed. Ik ben oud en moet opnieuw beginnen. Of ik wil of niet, het is de realiteit. Mijn perspectief beslaat vijf jaar. Daarna is mijn verblijfsvergunning verlopen.”

Het was de vraag die ik thuis nooit durfde te stellen. Wat was mijn moeders perspectief? Zou mijn moeder voor haar kinderen in Nederland zijn gebleven, terwijl ze in Polen oud wilde worden?

Het leven haalde de vraag in. Op 53-jarige overleed ze in Rotterdam met uitzicht over de Maas en leek haar geboorteland verder weg dan ooit. Ook Boka wil in Nederland sterven. „Alles is geregeld. Ik betaal via een polis bij Dela. Anders gooien ze je in een massagraf. Ik wil een Hindoestaanse uitvaart en dat iemand zegt dat ik een goede ziel had. Hier word je in een Cadillac gereden, ook al ben je straatarm.” Hij staat op en trekt zijn smoking aan. „Het leven is éénmalig. Daarna is het klaar.”

    • Dore van Duivenbode