Erudiet, eerlijk en lastig

Uit deze biografie rijst een beeld op van een lastige, maar buitengewoon intelligente vrouw, die altijd gelijk wilde hebben en het bijna ook altijd kreeg.

Henriette Boas in 1985 Foto Mai/Theo Noort

Een meisje van 74, dat niet goed in haar vel zit, zich geen raad weet met haar grijze tooi, en alsmaar om begrip lijkt te vragen. Dat kun je opmaken uit de foto van Henriette Boas op de flap van het omslag van De waarheidszoekster, de aan haar gewijde biografie van historica Pauline Micheels. Die lichaamstaal is bepalend voor je eindoordeel over deze intrigerende vrouw, die er op latere leeftijd uitzag als een zwerfster en vooral bekend werd als beroepslastpost en schrijfster van ingezonden brieven, waarin ze onjuistheden in de krantenberichtgeving rechtzette.

Aanvankelijk bekruipt je in deze biografie de neiging je rot te ergeren aan Henriette – Jetty – Boas. Vooral als je op pagina 28 leest dat ze in 1981 nog in een interview heeft gezegd ‘heel intelligent’ te zijn. Je hebt dan al een beschrijving van haar jeugd achter de rug, waarin ze een leergierige, maar brutale, slordige en lastige puber is, die niet van eten houdt en alsmaar overhoop ligt met haar ouders.

Jetty groeit op in een intellectueel joods gezin in Amsterdam. Haar vader is classicus en verdient een goede boterham als repetitor. In de avonduren schrijft hij wetenschappelijke artikelen in de hoop ooit hoogleraar te worden. Haar moeder is huisvrouw, maar zit in verschillende maatschappelijke organisaties. Over die ouders zal ze later zeggen dat ze nooit tijd voor hun kinderen hadden. Haar jeugd was daardoor allesbehalve onbezorgd.

Net als haar twee broers gaat Jetty naar het gymnasium. Ze is er de beste van de klas. Haar zus doet hbs, waar Jetty minachting voor heeft, alsof iemand die geen Homerus of Tacitus kan lezen geen volwaardig mens is. Ook bezoeken de kinderen Boas twee keer per week de joodse school, waar ze godsdienstles krijgen en in aanraking komen met het zionisme, Jetty’s grote passie. Haar broer Tino en zus Paula emigreren na hun eindexamen naar Palestina om de joodse staat te helpen oprichten.

Studie

Na haar eindexamen studeert Jetty klassieke talen aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. Ze haalt haar doctoraalexamens psychologie, Oude Geschiedenis en Godsdienstgeschiedenis, en promoveert in 1938 bij professor David Cohen, die tijdens de Duitse bezetting de voorzitter van de Joodse Raad is. Ze liggen elkaar niet, maar toch zal Jetty het na de oorlog voor hem opnemen als historicus Jacques Presser, die ze op grond van zijn eenvoudige afkomst niet serieus neemt, hem in zijn boek Ondergang een collaborateur noemt.

Eenmaal gepromoveerd, krijgt ze begin 1940 een beurs om een tijdje in Parijs te studeren. Haar verblijf in het buitenland redt haar het leven, want als de Duitsers Frankrijk binnenvallen, vlucht ze naar Bordeaux, waar ze op een Nederlands schip mee naar Engeland mag. Daar brengt ze de rest van de oorlog door en werkt ze onder meer bij de BBC. Haar vader overlijdt in 1941 aan een hartkwaal. Haar moeder, broer Sal en schoonzuster overleven de oorlog in concentratiekamp Theresienstadt.

Micheels zet Jetty neer als gefrustreerde geleerde die zich een mislukkeling voelt omdat ze geen academische positie kan krijgen, als joodse balling in de antisemitische Hollandse gemeenschap in Londen tijdens de oorlog, als journaliste die kritisch bericht over de toestand van de joden in Nederland, als ontmoedigde zioniste in Israël, waar ze evenmin een vaste baan vindt, en tot slot als lerares klassieke talen en fervent ingezonden brievenschrijfster. Over een eventuele liefde meldt Micheels weinig, wat jammer is. Een scheutje Freud had niet alleen in dit opzicht verhelderend kunnen zijn.

Anekdotes

Jetty komt uit deze vrij zakelijk geschreven biografie naar voren als een sociaal onhandige, lastige vrouw met een scherp verstand, die gruwt van de sentimentele wijze waarop joden en niet-joden na de oorlog met de holocaust omgaan en die zich hartstochtelijk inzet voor de joodse zaak. Het levert een zee aan anekdotes op. Zoals over Jetty’s korte gesprek met koningin Wilhelmina, in Londen. Jetty had de vorstin bericht dat hun wederzijdse kennis Lily Quarles van Ufford het in bezet Nederland goed maakte. Toen Wilhelmina zei: 'Dus met Lily Q.v.U. gaat het goed’, antwoordde ze: ‘Ja, Majesteit, maar met de joden in Nederland gaat het niet goed.’ Waarop Wilhelmina reageerde met: ‘Dat heb ik u niet gevraagd’. Die reactie was veelzeggend voor de koninklijke desinteresse voor het lot van de joden in Nederland.

Gelijk had Henriette Boas bijna altijd. Dat bleek in 1965, toen ze net als W.F. Hermans inging tegen linkse intellectuelen zoals Renate Rubinstein, Aad Nuis en Jacques Presser, die de oorlogsmisdaden van de joodse collaborateur Friedrich Weinreb wilden goedpraten. Anderzijds nam ze het op voor ARP-politicus Willem Aantjes, toen uitkwam dat die lid was geweest van de Germaanse SS. Ze beschouwde het als een jeugdzonde en sloot zich niet aan bij de meute die hem als een oorlogsmisdadiger wegzette.

Ook zat ze in 1976 achter de onthullingen over het oorlogsverleden van zakenman Pieter Menten, die over de hoofden van vermoorde joden een fortuin had vergaard. In haar typering van Menten was ze haar tijd ver vooruit: zo omschreef ze hem niet als een typische ‘killer’ of antisemiet, maar als een sluwe man voor wie geld en macht alles betekenden. Opnieuw velde ze een zuiver oordeel, juist omdat ze zich, anders dan haar omgeving, niet door emoties en politieke correctheid, maar door haar kille verstand liet leiden. Op zo’n moment dringt het beeld van het slimme, serieuze en dwarsliggende meisje van 74 zich nog sterker aan je op.

    • Michel Krielaars