De hoofddoek in de rechtszaal

Opinie De rechtbank Rotterdam discrimineerde een moslima door haar een baan als ‘buitengriffier’ te weigeren omdat ze een hoofddoek droeg. Hier lijkt een kans op aanpassing te zijn gemist.

Het College voor de Rechten van de Mens deed onlangs een opmerkelijke uitspraak. De rechtbank Rotterdam discrimineerde een moslima door haar een baan als ‘buitengriffier’ te weigeren omdat ze een hoofddoek droeg. Een griffier is geen onderdeel van de rechterlijke macht – het College ziet niet in waarom een griffier met een hoofddoek afbreuk zou doen aan de onpartijdigheid van de rechtspraak. Het categorisch uitsluiten van moslima’s voor deze functie is een te zwaar middel.

Nu zijn oordelen van het College niet bindend, maar wel gezaghebbend. De rechtspraak pleegt dergelijke oordelen in rechtszaken zwaar te laten wegen. De rechtspraak heeft daarin een voorbeeldrol. Maar kennelijk niet wanneer het de rechtspraak zélf betreft. De Raad voor de Rechtspraak bracht een streng persbericht uit waarin dit oordeel werd verworpen omdat ‘aan de strikte neutraliteit van de rechtspraak geen concessies worden gedaan’. Geen griffiers met hoofddoeken in de rechtszaal dus.

Deze benadering is overigens legitiem en wordt ook door het College in z’n algemeenheid niet bestreden. Deze week oordeelde de advocaat-generaal bij het EU-Hof van Justitie dat werkgevers in beginsel kledingregels mogen stellen die een strikte religieuze neutraliteit nastreven. Zolang die tenminste niet zijn gebaseerd op stereotypen of vooroordelen jegens een religie. En het kledingverbod moet evenredig zijn – er moet een billijk evenwicht zijn tussen de tegenstrijdige belangen. Daar zit dus een marge van beoordelingsvrijheid.

Het College vond dat bij deze sollicitatie dat evenwicht er niet voldoende was. Dit betrof een ondersteunende functie, op tijdelijke basis en geen cruciaal rechterlijk werk. De belangen van een moslima met hoofddoekwens mogen daar zwaarder wegen. Feitelijk zegt het College dat de ‘geen concessie’-houding van de Rechtspraak niet houdbaar is. Hier is maatwerk vereist.

Daar heeft het College dan ook een punt. Moslima’s met hoofddoek zijn maatschappelijk een alledaags verschijnsel: voor de klas, in het ziekenhuis, achter de kassa en receptiebalie, bij de apotheek, in de collegebanken. Er zijn ook steeds meer artsen en advocaten met een hoofddoek, net als procespartijen trouwens. Niemand zou meer opkijken van een griffier met een hoofddoek. Net zo min trouwens als van een politievrouw met hoofddoek.

Intussen blijft de Rechtspraak zelf duidelijk achter met diversiteit, wat ook wordt erkend. Dan doet zo’n categorische afwijzing gedateerd aan. De samenleving verandert; de rechtspraak moet aansluiting houden. Hier lijkt een kans op aanpassing te zijn gemist.