Bezwerende sfeerwebben

Drie van de vier debuterende dichters voor de C. Buddingh’-prijs, die donderdag a.s. wordt toegekend, schrijven nogal vormeloos over het alledaagse. Eén van hen verrast met angstaanjagende poëzie.

Er zijn altijd weer nieuwe lentes en nieuwe geluiden. Vorig jaar dienden zich eenentwintig dichters aan met hun nieuwe geluid. Wie van hen zou de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut krijgen? De jury (Joke van Leeuwen, Arjan Peters, Nachoem Wijnberg) nomineerde vier bundels en maakt op donderdag 9 juni de winnaar bekend.

Een van de vier is Sebastiene Postma, met de bundel Trappen. Zij is een wat oudere debutant (1957). Ze heeft een nieuw soort gedicht bedacht: een curieuze stapelvorm van een anekdote over een Engelse dichter, gevolgd door een essayistische uitweiding met filosofische inslag, afgesloten met een korte conclusie. Het geheel heeft dan ook nog eens te maken met het begrip ‘trap’, in alle mogelijke betekenissen. Niet alleen de touwladder, de zigzagtrap, de bordestrap, de scheluwse steektrap, de roltrap en de lift komen voorbij, maar ook de neerwaartse hamertrap, uit de vechtsport.

De dichtersanekdotes zijn voor deze gelegenheid in stukjes gehakt, maar het blijft gewoon proza: ‘Lowell was bipolair net als Clare / maar zijn preoccupatie met macht richtte zich niet op / boksers en beroemde dichters / maar op Hitler en Caligula.’ Het begin is dus nog wel interessant, maar dat geldt minder voor de nogal vage en abstracte trap-filosofieën die erop volgen. ‘Trappen zijn meestal solide. Als vaste stof leiden ze / van de begane grond naar de zolder.’ En nog minder voor de twee regels waarmee deze eigenaardige vertellingen afsluiten. Ze zien eruit als de moraal na een fabel, maar inhoudelijk hangen ze er maar een beetje bij. Trappen kon mij niet erg overtuigen: te beschouwelijk, te weinig poëzie, te geconstrueerd allemaal.

Treurig decor

Ook Jonathan Griffioen (1987) vond een nieuwe vorm voor een bundel: een filmscript in zes delen, met vier pauzes, en een heuse cast, bestaande uit ‘(ik), Mike, Erik, Herman, moeder en vader en Arie Verrips als zichzelf.’ Deze acteurs spelen hun rol in het wat treurige decor van een doorsnee nieuwbouwwijk in Wijk (bij Duurstede). Het is de wereld van (late) pubers die wat verveeld rondhangen in bushokjes en portieken, bij schoolpleinen en op industrieterreinen. Thuis is het allemaal niks, met saaie verjaarsfeestjes, alcoholistische vaders met Germaanse sympathieën en meelijwekkende ooms. Op school ook niet. ‘We zitten al eeuwen in de derde en blijven / met onze koptelefoondraad achter onze zadels haken.’ En dan is het ook nog eens toetsweek.

Het is door Griffioen allemaal gezien en genoteerd, in spreektaal met korte zinnetjes. Soms rauw, soms flauw, soms met toch nog iets van een grap of een verrassend beeld erin. Maar verder? ‘We willen schreeuwen / over onze twijfels en onze woede.’ Maar in de praktijk lezen we hier vooral over rondhangen en eindeloos wachten. In de slotscène ligt er nog steeds vuil op straat, en in de slotregel staat er nog steeds ‘een verkeerd geparkeerde auto’. Er valt eigenlijk niet zoveel te beleven – op straat niet, en in deze gedichten ook niet.

Al even vormeloos is de poëzie van Mathijs Gomperts (1988): ook hier gewone zinnetjes, geen rijm, geen ritme, dertig gedichten achter elkaar zonder verdere indeling. Ze zijn geschreven vanuit het perspectief van een kind van zes. Vandaar de titel: Zes. Een fietstochtje voor op de fiets bij papa, een vakantiereis, spelen op straat, rolschaatsen binnenshuis en vallen en toen werd papa boos – dat zijn zo de alledaagse aanleidingen. Het bijzondere zit hem in de kindergedachten en in de onbevangen waarnemingen. In de grote kanten kraag op een 16de-eeuws schilderij ziet de kleine Mathijs ‘een kleine molensteen, een soort kanten taart.’ Het geluid van een strippenkaart in de stempelautomaat: ‘korte salvo’s pelotonvuur slaan / de paarse inkt in cijfers neer.’

Ook hier is de vraag: is het wel poëzie? Het is allemaal nogal klein en kinderlijk, maar soms beland je ineens in de naïeve, bijna meditatieve sfeer van een heel eigen belevingswereld. Als het kind bijvoorbeeld op het strand in Normandië gedachteloos op zoek gaat in de zakken van zijn in slaap gevallen vader, en zich verwondert over wat hij daar aantreft. Dat mengt zich dan in zijn hoofd met angstige verhalen over de oorlog en een licht gevoel van eenzaamheid. En zo zijn er nog een paar mooie sfeergedichten waarin te midden van veel droge en licht vervreemdende waarnemingen de poëzie opeens tevoorschijn springt.

In Kalfsvlies van Marieke Rijneveld (1991) staat alles vanaf het begin onder spanning. Dit is de wereld van angst en ongeluk, schrik en verdriet en grote onzekerheid. Het decor is vaak een boerderij ergens in de provincie, de dood van een jongere broer, de ouders die het niet aankunnen, Godsvrees, eenzaamheid en zwijgzaamheid. Leuk is het niet. Dit is de poëzie van iemand die uit alle macht zelf probeert te achterhalen hoe de wereld in elkaar steekt en iets daarvan probeert te vangen in lange gedichten met lange regels.

Kracht

De vele associatieve sprongen zijn steeds goed te volgen en Rijneveld houdt ze binnen haar gedichten ook allemaal knap in de hand. Ritmisch lopen haar zinnen geweldig, zodat je haar overrompelende en angstaanjagende gedichten misschien nog het best zou kunnen omschrijven als gevoelsportretten, of sfeerwebben. Heel bijzonder. De kracht zit hem niet zozeer in beelden of betekenissen, maar in het samenvallen van de gespannen vorm met de gespannen inhoud. Dit is een andere manier om te zeggen dat haar gedichten niet goed naverteld kunnen worden; het zijn ervaringen – en geen prettige ervaringen. Ik moest denken aan de gedichten van Kees Ouwens: dezelfde bezwerende, profetische toon, dezelfde grillige invallen, dezelfde sfeer van dreiging en onheil. Die lees ik ook niet voor mijn plezier. In de gedichten van Rijneveld houdt iemand met veel moeite het hoofd boven water. Is dat nu ‘goede’ poëzie en moet je daar een prijs voor krijgen? Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat van alle vier debuten haar bundel op mij veruit de meeste indruk maakte.

    • Guus Middag