Schijn ophouden of afbekken – wat te doen

Ongemakkelijke waarheden. Nelson Goerner. Strike a Pose. Opwinding van Rudi Fuchs.

Het concert begint en er gaat iets he-le-maal mis tussen pianist Nelson Goerner en het Noord Nederlands Orkest. Ze doen het eerste pianoconcert van Tsjaikovski, met dat begin dat zo breeduit gaat. Overbekend. Lekker. Maar piano en orkest sporen niet, integendeel, het is of ze elkaar ontlopen. Dirigente Han-Na Chang zal na de pauze een fantastisch subtiele Sjostakovitsj neerzetten, maar Tsjaikovski jaagt ze erdoor, consequent keihard. En pianist Goerner? Die verzet zich aanvankelijk. Hij is de solist, het orkest zou met hem in gesprek moeten gaan. Maar dat doet het niet. Dus stort hij zich in de muziek, ramt het stuk eruit en smeert ’m. Een toegift kunnen we op onze buik schrijven (er was voorzien in Chopin, hoor ik in de wandelgangen).

Kunst wijst op ongemakkelijke waarheden. Liggen een dirigent en een solist elkaar niet, dan kunnen ze de schijn ophouden – en dan maken ze kitsch. Of ze kunnen eerlijk zijn en elkaar muzikaal afbekken, zoals hier gebeurt. We horen bommen en granaten en mij bevalt dat wel, in die concertzaal waar het bijna altijd voorspelbaar ritselt van mooi, mooier mooist en van niks anders.

Ook in de ontroerende bioscoopdocumentaire Strike a Pose over het troepje zeer jonge ‘vogue’-dansers dat met Madonna optrad in haar Blond Ambition Tour (1990), drijft zo’n ongemakkelijke waarheid boven. In die periode, toen alles mocht en mogelijk was, zongen deze zeven jonge mannen met Madonna ‘Express Yourself ‘ – maar drie van hen hielden hun mond over hun hiv en allemaal kwamen ze klem te zitten in drugs en ontploffende dromen. Want Madonna trok voort maar zij hadden de mooiste tijd van leven nu achter de rug.

Opwinding. Zo noemt Rudi Fuchs de tentoonstelling die hij maakte in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Opwinding – maar zo bedachtzaam zag ik Fuchs nog nooit. Hij richtte de zalen in via onverhoedse combinaties van kunstwerken. Ja, dat deed hij altijd al, ook toen hij zelf nog directeur van het Stedelijk was. Iedereen die van wanten wist vond dat geweldig. Ik niet, ik voelde me steevast of ik overhoord werd en een 4 kreeg (Wat zíén ze nou? En waarom kan ik dat níét zien?)

Dit keer pakt zijn keuze anders uit, niet zo spierballen-rollend. En nu smelt ik voor hem. Zo hangt hij twee neon-harten van Tracey Emin links en rechts boven een foto die Rineke Dijkstra maakte van een halfwas meisje. Emins harten zijn de harten die tieners tekenen als ze verliefd willen zijn. Het ene hart zegt ‘You forgot to kiss my soul’ en het andere ‘I promise to love you’. Over en weer geven foto en lichtsculpturen weemoed prijs.

Fuchs is de competitie voorbij, hij hoeft niet meer zo nodig te imponeren, hij vaart op zijn gevoel. Zoetjesaan voel ik een verlegen verlangen doorschemeren, van Fuchs zelf. Daardoor onthult hij dat ook de mannetjesputter-schilderijen van Baselitz fragiel zijn.

In een interview in NRC lees ik dat Rudi Fuchs in de kamer van zijn vorige herfst overleden vrouw het licht aansteekt, als hij de deur uitgaat. „Zodat als ik weer thuiskom, het licht bij haar brandt.” En ik denk: Opwinding is zijn hommage aan haar.