Poetin in de hal

Omdat een vriend iets onderknuppeligs was in het Huis van Afgevaardigden, belandde ik eens op de publieke tribune bij een commissievergadering. Enige levendige herinnering: een jonge republikein uit South Carolina, in bruin pak, ging tekeer tegen zijn collega’s omdat die contacten hadden met de moorddadige islamitische regeringen.

Niemand leek te reageren. Tot een oudere partijgenoot de man een kleine, maar vileine oorvijg gaf. Hij verwelkomde de jongeman in de commissie en legde hem uit dat „het aardige” van buitenlands beleid is dat het buitenland buitenland is. „Daar zijn ze anders dan wij, dat zult u nog wel merken. En juist daarom praten we met ze.”

Het was een klein overwinninkje op extremisme en populisme.

Ik verlangde naar zo’n effectieve terechtwijzing toen ik de ‘beleidskader internationaal cultuurbeleid’ las die het kabinet onlangs naar de Tweede Kamer stuurde. Internationaal cultuurbeleid is, even kort: jullie hebben mooie dingen en wij hebben mooie dingen, dus als we nu even niet zeiken over politieke en militaire kwesties, kunnen we aan culturele uitwisseling doen; goed voor ons én de kunst. Hermitage Amsterdam is een mooi voorbeeld: Nederland levert het gebouw en de organisatie, Rusland stuurt de kunst.

Dit soort uitwisseling is de hoofddoelstelling van Nederlands internationaal cultuurbeleid. Maar er is een ‘tweede hoofddoelstelling’ bijgekomen. Met een paar miljoen euro wil Nederland de wereld „rondom Europa” veranderen. In zeven landen, waaronder Rusland, moet cultuurbeleid bijdragen aan „grotere sociale cohesie en een opener samenleving met meer ruimte voor culturele verschillen”.

Rusland reageerde als door een adder gebeten. „We staan perplex”, laat het in een officiële verklaring weten. Ten eerste omdat Nederland Rusland kennelijk niet meer tot Europa rekent. Ten tweede omdat Nederland „ophoudt met het productieve deel van bilaterale relaties, de gezamenlijke projecten op het gebied van stadsvernieuwing, design en kunst”. Het is gemakkelijk een paar rake dingen over de fijngevoeligheid van de Russen te zeggen. Zo houdt Nederland niet op met het productieve deel; er komt gewoon een inproductief en aanmatigend deel bij.

Toch lijkt terugschelden me vrij zinloos. Beter is het om af te vragen of internationaal cultuurbeleid wel het juiste instrument is om de wereld te veranderen. Wat, bijvoorbeeld, als de Russen hetzelfde willen? Moeten die dan eisen van de directie van Hermitage Amsterdam om een portret van Poetin in de hal te hangen? Of een expositie organiseren die aantoont dat Ruslands homowetgeving een ‘reinigende’ werking op de samenleving heeft? Ik zeg maar iets. Maar irreëel zijn deze gedachten niet: als wij kunst als instrument gebruiken voor maatschappelijke verandering in een ander land, moeten we niet opkijken als anderen dat hier ook zullen proberen.

    • Pieter van Os