‘Nelken’ zoals Pina het bedoelde

Zeven jaar geleden overleed de Duitse choreografe Pina Bausch plotseling, maar ‘Nelken’ laat zien dat haar gezelschap nog springlevend is. Haar repertoire is ook voor jonge dansers een uitdaging.

Nelken, choreografie Pina Bausch, door het Tanztheater Foto Laszlo Szito

De scène mag iconisch heten. Man in keurig, zij het ouderwets pak, eenzaam in een zee van bleekroze anjers. Een krakerige melodie klinkt, hij wacht. Pas als Sophie Tucker begint te zingen over haar droomman verroert hij zich. Alleen zijn armen beweegt hij: hij zingt de tekst mee in doventaal. Telkens eindigt hij de coupletten van zijn gebarenlied over The Man I Love met de handen innig voor zijn borst gekruist.

Het is een van de bekendste delen uit Nelken (Anjers, 1982) van Pina Bausch (1940-2009), de zeven jaar geleden zo onverwacht overleden keizerin van het Tanztheater. En het is héél erg Bausch. Door de kwetsbare ernst waarmee de man het lied tolkt, en tegelijkertijd door een vleugje ironie, dat pijn en teleurstelling verraadt. Door de muziek, een vooroorlogs populair liedje. Door het ‘tactiele’ toneelbeeld, de nostalgische kostumering.

Het bauschiaanse zit ook in de oorsprong van het nummer. Op YouTube is een filmpje uit 1983 te zien van de dan nog jonge Lutz Förster – inmiddels is hij 63 – die, zachtjes prevelend, de solo repeteert. Zíjn solo, want hij droeg het idee ervoor aan, in antwoord op een van de vragen die Bausch gewoontegetrouw, als instrument in het creatieproces, haar dansers stelde. „Waar ben je trots op?”

Nu is het de solo van de 24-jarige Brit Scott Jennings. Vier jaar geleden werd hij door Förster gekozen om zijn rol in Nelken over te nemen. „Het idee alleen maakte me al doodnerveus, gewoon om wat die rol betekent”, vertelt Jennings in de eenvoudige kantine van het theater in Wuppertal. „Of wat ik ervan had gemáákt in mijn hoofd. De eerste paar voorstellingen probeerde ik vooral Lutz te zijn. De balans vinden tussen de oorspronkelijke uitvoering en je eigen interpretatie is een delicaat proces.”

Jennings was een van de eerste twee dansers die werden gecontracteerd ná het overlijden van Bausch. Hij koos – opmerkelijk voor een jonge danser – bewust voor een gezelschap met een grotendeels ‘bevroren’ repertoire; sinds 2009 heeft Tanztheater Wuppertal slechts enkele premières gepresenteerd. Net als de ongeveer tweehonderd dansers met wie hij in 2012 auditeerde voor twee (!) vacatures, wilde Jennings maar al te graag de stijl van de Duitse aan den lijve ondervinden, die unieke mengvorm van dans en theater. „Je leert over het Tanztheater tijdens je opleiding, het is een van de ijkpunten in de dansgeschiedenis. Groot. Onbereikbaar. Die auditie was mijn kans om daar deel van te worden.”

Nu ‘zingt’ hij dus The Man I Love, verkleedt hij zich in de mooie, maar slecht passende cocktailjurken en nachtponnetjes waarin de mannen regelmatig verschijnen of, samen met vrouwen in avondkleding, in een wiegende optocht over het toneel paraderen, tekstloos gebarend. Híj staat nu in die overweldigend theatrale scènes, met beelden die eerder een beroep doen op een gevoelsmatig verstaan dan op rationeel begrip.

Het zijn beelden die zich voorgoed in het brein nestelen. Bijvoorbeeld als de dansers met wijd gespreide armen, uitbundig als kinderen, richting publiek hollen, als een mannelijke danser (in cocktailjurk) luid foeterend pirouetten draait, of als het ensemble als verschrikte konijntjes op handen en voeten door de anjerweide hopst, opgejaagd door het geblaf van herdershonden die maar ternauwernood in toom kunnen worden gehouden.

Langzaam maar zeker wordt zo het roze speelveld vertrapt, zoals ook de illusie van liefde en harmonie steeds verder wordt afgebroken.

Een feest der herkenning is Nelken dus. Niet omdat de voorstelling hier eerder in 1995 tijdens het Holland Festival was te zien. Ook niet alleen door, nog altijd, die paar bekende gezichten: de blonde Australische fee Julie Shanahan (sinds 1983 bij Bausch), de strenge, pezige Julie Ann Stanzak (al 30 jaar bij de groep), de warmbloedige Aida Vainieri (25 jaar in Wuppertal) en heel soms Dominique Mercy of Förster, beiden al sinds de jaren zeventig bij Bausch.

Oude rotten, die de jonge Jennings hebben opgevangen, opgeleid en overspoeld met aanwijzingen. Jennings: „Soms kreeg ik voor één klein dingetje tips van 25 mensen: zo deed ik dat, dit is mijn gevoel, volgens mij bedoelde Pina het zo. Ik werd er nog onzekerder van.” Maar gaandeweg leerde hij, via hen, belangrijke dingen van ‘die Pina’: „Hoe je het publiek kunt uitnodigen naar je te kijken in plaats van het iets op te dringen. Hoeveel je kunt uitdrukken door je borstbeen te gebruiken. En Bausch bracht mij de kalmte bij om mezelf te zijn op het podium.”

Dankzij dat liefdevolle onderhoud heeft Nelken zijn zeggingskracht onverminderd behouden, blijkt bij het weerzien in Wuppertal. Sommige scènes blijken bovendien verrassend actueel, met hun onherbergzame sfeer, luid geschreeuwde bevelen en barse paspoortcontroles.

De thema’s die de constanten vormen in haar oeuvre hebben overleefd: de eeuwige zoektocht naar liefde en geborgenheid, altijd doorkruist door de angst voor afwijzing, die weer gevolg zijn van trauma’s uit de kindertijd. En telkens blijkt het verlangen naar liefde sterker dan alle tegenslag. Someday he’ll come along, the man I love....

    • Francine van der Wiel