Nederlandse strip beleeft schrale jaren

De stripcultuur van Nederland steekt bleek af tegen die van België. Waarom?

Twee fotostrips van Ype Driessen, gemaakt tijdens het bezoek van een groot aantal Nederlandse striptekenaars aan het stripfestival van Angoulême in 2014. Beeld Ype Driessen

De Schilder getekend is een van de hoofdtentoonstellingen op de Stripdagen Haarlem. Dit tweejaarlijkse, toonaangevende stripfestival, dat vrijdag begint, zoomt in op een spraakmakende tak van de serieuze strip in Nederland: de schildersbiografie. Met reden. Zowel de kwaliteit als het succes van de boeken over Rembrandt (van Typex), Vincent van Gogh (Barbara Stok) en Jeroen Bosch (Marcel Ruijters) is uitzonderlijk in Nederland Stripland.

Het is heugelijk dat de Stripdagen Haarlem voor het eerst tien dagen duren, een week meer dan vroeger, maar veel reden om de strip te vieren is er niet. Van Nederlandse striptekenaars verschijnen er maar een paar boeken per jaar die echt de moeite waard zijn. De spoeling is dun, beamen kenners uit de stripwereld, en de aanwas van nieuw talent stokt. De definitieve doorbraak van de graphic novel, door velen verwacht, is uitgebleven. Strips en graphic novels hebben wel een eigen hoek in de algemene boekhandel veroverd. Maar daar staat tegenover dat steeds meer stripspeciaalzaken de deuren sluiten.

De vraag is waarom Nederland als stripland achterblijft. Hansje Joustra, uitgever van Scratch Books, de grootste Nederlandse uitgeverij van serieuze strips en graphic novels: „In Nederland worden niet veel strips gelezen. Vroeger wel. Die breuk heb ik nooit echt kunnen verklaren.” Tekenaar Hanco Kolk: „Strip was in de jaren vijftig al een ondergeschoven kindje. Zo is het altijd gebleven.”

Joustra en Kolk zien ook desinteresse bij de media. Joustra: „In België is er continu aandacht voor strip in de kranten op tv. Een striptekenaar op televisie is in Nederland uitzonderlijk, terwijl je in Frankrijk bijna een eigen zender voor strips hebt. Maar de stripwereld kan daar ook zelf meer energie in steken.” Zelfs de CPNB, de boekenlobby bij uitstek, besteedt in geen van zijn 33 campagnes aandacht aan strips.

Zeven jaar geleden werd al de noodklok geluid door tekenaars Jean-Marc van Tol en Hanco Kolk, omdat het stripgenre op sterven na dood zou zijn. De toenmalige minister van Cultuur, Plasterk, stelde een stripintendant aan, die met een budget van een kwart miljoen per jaar de strip een impuls moest geven. Dat werd Gert Jan Pos, die bevordering van internationalisering, professionalisering, het zelfvertrouwen en experiment tot zijn prioriteiten maakte. Hij bedacht en regelde onder meer de verkoop van de stripbiografieën. Kolk pleitte voor de komst van een stripopleiding. Die kwam in Zwolle bij kunstacademie Artez, waar Kolk nu ook lesgeeft.

Na 2012 verdween het stripbeleid weer even snel als het was opgekomen. De overheid is een „grillige partner” zegt Pos, die inmiddels les geeft aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam en optreedt als freelance strippromotor.

Kolk en Van Tol wezen verlekkerd naar de Vlaamse situatie, met een bloeiende opleiding in Brussel, een actief letterenfonds en een marktaandeel voor strips van 10 procent. Die kloof is niet gedicht. Pos: „De uitschieters zijn net zo zeldzaam als bij ons, maar het gemiddelde niveau van strips is hoger.”

De afgelopen vijf jaar kregen in Nederland welgeteld drie striptekenaars subsidie voor het maken van een stripboek: Guido van Driel (17.500 euro), Dick Matena (1.400 euro) en Peter Pontiac (3 keer, samen 37.500 euro). Bij het Vlaamse Fonds der Letteren valt in het jaarverslag over 2015 te lezen dat 19 prozaschrijvers subsidie kregen (samen 63 ‘maandsalarissen’ van 2.500 euro), 13 dichters en essayisten én 21 striptekenaars (70 keer 2.500 euro). De grote dichter Leonard Nolens krijgt maar iets meer dan de grote tekenaar Olivier Schrauwen. Die gelijkstelling van proza en strip is een weelde die in Nederland onbestaanbaar lijkt.

Steun voor ‘Turks Fruit’

Hoe gaat dat hier? Subsidie kan een Nederlandse striptekenaar aanvragen bij het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, bij de regeling Vormgeving. Er is anderhalf miljoen per jaar te verdelen onder ontwerpers in de breedste zin: strip is één van de 24 subdisciplines. Vorig jaar ging er alleen 16.000 euro naar publicist Joost Pollmann voor een boek met colleges over strip en 7.000 euro naar festival Oeverloos in Amsterdam-Noord, mede georganiseerd door Joost Pollmann. Dit jaar kreeg Matena een bijdrage aan zijn verstripping van Turks Fruit.

In de commissie Vormgeving heeft geen van de 22 leden een connectie met strips. „Job Wouters, illustrator en typograaf, vragen we altijd voor de beoordeling van beeldverhalen”, zegt Eva Roolker secretaris van de commissie Vormgeving. Volgens Roolker doen circa tien striptekenaars aanvragen per jaar. Gemiddeld wordt 30 procent van de aanvragen door de commissie gehonoreerd, maar strip zit daar dus ver onder. „Bij het Stimuleringsfonds zitten mensen die aanvragen van Erik Kriek afwijzen. Dat is bizar”, zegt Pos. „Er heerst desinteresse.”

Het Nederlands Letterenfonds, waar de rest van schrijvend Nederland subsidie aanvraagt, speelt een bescheiden, maar relevante rol, omdat het fonds zich richt op promotie van de Nederlandse strip in het buitenland. Met geld voor reizen van auteurs zijn kleine bedragen gemoeid (circa 1.500 euro), maar ook de inzet van een staflid. Buitenlandse uitgevers kunnen eenzelfde soort bijdrage krijgen voor vertalingen.

Tegenover de verschraling in Nederland staat visie en continuïteit in België. De Belgische kwaliteit is ook het product van weloverwogen en volgehouden beleid. Al vanaf 2003 profileert het Vlaamse Fonds zich met strips. Pos: „De eerbied voor dit cultuurgoed is oprecht. En terecht, want de Europese strip is in Brussel uitgevonden. In Nederland ontbreekt die kennis en dat respect.”

De opleiding Beeldverhaal aan het Sint-Lukas in Brussel geldt als voorbeeld. Recentelijk leverde de opleiding bijvoorbeeld talenten als Michaël Olbrechts (1987) en Ben Gijsemans (1989) af, van wie veel wordt verwacht. „Elk jaar zijn er wel een paar afgestudeerden die het maken en die een boek uitbrengen dat ook vertaald wordt”, zegt Johan Stuyck, coördinator van de opleiding. Dat steekt af bij de alumni van Artez, van wie niemand zich nog heeft opgewerkt tot striptekenaar van naam.

Op het Sint-Lukas maken studenten zowel klassieke strip als experimenteel werk, met als doel een nieuw soort graphic novel, zegt Stuyck.

Maar ook in België is de markt voor de kunstzinnige strip een niche, aldus Stuyck, die ook uitgever is van Oogachtend, een kleine uitgeverij (tien boeken per jaar) van kwaliteitsstrips. Zijn boeken gaan in oplages van 500 of 1.000 stuks. „Je moet publiek opbouwen en je moet auteurs hebben die het volhouden. Soms geef ik een debuut uit met verlies, maar anders komt er nooit een tweede. Pas het derde boek van Brecht Evens was een succes. Je moet geduld hebben. In Frankrijk verkoopt Evens van elk boek inmiddels 15.000 exemplaren. De royalty’s passeren via mij dus ik weet dat hij er zeer goed van kan leven.”

De magere verdiensten zijn een heikel punt in de strip. Striptekenaar worden betekent eerst vijf jaar armoede en dan vijf jaar ploeteren, zei Joost Swarte ooit. Daar hebben jongeren geen zin meer in, zeggen Stuyck en Kolk. Tekenaars die van hun werk kunnen leven zijn cartoonisten of maker van humorstrips. Anderen doen er veelal werk bij, als illustrator. De opleidingen, ook die in Brussel, spelen daarop in. Kolk heeft ook ex-studenten die het uitstekend doen als tekenaar in het bedrijfsleven. De strip, zegt Pos, is zo’n klein veld dat studenten er baat bij hebben om deel te zijn van een groter verband, van comic design, games, animatie en illustratie.

Toch wordt Pos nu ook stripboekenuitgever, bij uitgeverij Q en animatiebedrijf Submarine. „Zij vroegen of het niet een goed idee was om graphic novels te gaan uitgeven. Ik zei van niet. Maar we gaan het toch doen.” Hij gaat boeken maken, maar zich toch ook op andere platforms richten. Hij heeft al wat jonge talenten op het oog. Anne Staal, Jasper Rietman: jonge tekenaars die zich al online roeren en die hij een toekomst toedicht. „Leuk hoor.”