Kaasplankje

Een wijkverpleegkundige vertelde mij dat een ernstig zieke patiënt tegen haar had gezegd: ik wil niet eindigen als kaasplankje.

Wijkverpleegkundigen en artsen hebben, waarschijnlijk meer dan wie ook, zicht op het taalgebruik van de gemiddelde Nederlander. Zij hebben een vertrouwelijke relatie met hun patiënten, die vaak kwetsbaar zijn, en dus klappen zij niet vaak uit de school. Maar af toe krijg ik van artsen of verpleegkundigen geanonimiseerde voorbeelden van bijzonder taalgebruik toegestuurd.

Een kleine greep. De fysiotherapie hielp niet, ik ga nu naar een paranormaalgeneeswijzer. Dokter, ik ben zo deprimerend. Zuster, ze zeggen dat ik een stimulant ben. Er komt zo subsecsiefelijk steeds wat bij. Ik dronk me Hongaars aan uitgeperste sinaasappels (ongans). Ik slik me ongaas aan paracetamol. Ik heb de temperatuur arsenaal gemeten. Ik heb vernauwingen in mijn ruggenmergel. Ik zit steeds te dubbelen wat ik nou zal doen. Hij gaat voor een second opinium. Zij is al op bevorderde leeftijd. Maandag wordt er in het ziekenhuis een ego gemaakt. Mijn familie komt oorspronkelijk uit Frankrijk, mijn vader heeft daar gynecologisch onderzoek naar gedaan. We hebben nu een testamenteur testamentair aangewezen (een oude patiënt zonder familie). Ze is aan een borstamputatie geopereerd. Ik voel me K.L.T., om het zo te zeggen.

Die kende ik al, maar het kaasplankje was nieuw voor mij.

Volgens de Grote Van Dale heeft kasplant(je) drie betekenissen: ‘in een kas gekweekte plant’; ‘verbroeid, vertroeteld wezen dat daardoor weinig levenskracht heeft’, en: ‘zwak, teer persoon’.

Mooi, dat verbroeide wezen – hoewel ik me er niet echt een voorstelling van kan maken.

Planten worden in Nederland al zeker sinds de achttiende eeuw in kassen verbouwd. Aanvankelijk noemde men zo’n kas vaak een oranjerie of oranjehuis, maar vanwege het Huis Van Oranje is het woord oranjehuis voor ‘broeikas’ in onbruik geraakt.

De overdrachtelijke betekenissen van kasplant(je) lijken aan het eind van de 19de eeuw te zijn ontstaan. Zo schreef Marcellus Emants in 1878: „Al die liefde en die zorgen bederven een kind. Het noodzakelijk gevolg van dat broeikasten-leven was, dat ik een kasplantje bleef, of misschien werd.” En Couperus schreef in 1890, over een zekere Frank: „Zijn lijf en zijn ziel waren beide als geweekt in een bad van lauwe weelde; hij was geworden als een kasplant, die, gewend aan de vochte warmte der serres, vreest in de openlucht te worden gezet.”

In een feuilleton in het Rotterdamsch Nieuwsblad van 1901 vond ik: „Een marsch van enkele mijlen doet mij geen kwaad; ik ben geen kasplantje.” En de Tilburgsche Courant schreef in 1930: „Tien jaren geleden was de Volkenbond niets anders dan een kasplant.”

In al deze voorbeelden heeft kasplant(je) de betekenissen ‘vertroeteld wezen’ of ‘zwak, teer persoon’. Wie zegt angst te hebben om te eindigen als een kasplantje, ziet iets anders voor zich: zelf nergens meer toe in staat, niet of nauwelijks meer bij bewustzijn, volkomen afhankelijk van hulp van derden. In die context vond ik het kasplantje, dat ik voortaan kaasplankje ga noemen, voor het eerst in 1961, in een boek van Piet Bakker: „Tjebbe Jaarsma moest als een kasplantje gekoesterd worden. Injecties en voorzichtige kunstmatige voeding hielpen hem heen door zijn bewusteloosheid.”

    • Ewoud Sanders