‘Het is een ode aan de kracht van muziek’

‘Hij is met zijn stem de bezetting van Israël ontstegen’, zegt regisseur Hany Abu-Assad over Assaf, de Palestijnse winnaar van de Arabische Idols. Over hem maakte Abu-Assad een biografische film.

De eerste keer dat filmmaker Hany Abu-Assad (Nazareth, 1961) het verhaal van zanger Mohammad Assaf hoorde was in Cannes. Hij had net de prijs van Un Certain Régard voor zijn vorige film Omar (2013) gewonnen, ze gingen eten, en zijn zus vertelde over een Palestijnse jongen uit Gaza die in het finale van de Arabische Idols stond. „Hij was de grens met Egypte overgekomen door zich voor te doen als een koranzanger, was te laat voor de inschrijvingen, klom een muur over, iemand hoorde hem zingen en gaf hem zijn deelnamenummer met de woorden: ‘Ik ga toch de finale niet halen, maar jij wel.’ Allemaal waar gebeurd.”

Abu-Assad lacht zijn kenmerkende hese lach. Alsof hij het bijna niet kan geloven. „En het mooiste is: mijn zus is muzikant, en ze was helemaal lyrisch over zijn stem. Die is geweldig. Eens in de vijftig jaar staat er iemand op met zo’n stem.”

Abu-Assad was eerder dit jaar in Rotterdam, op het filmfestival. Een thuiswedstrijd: hij woonde en werkte vanaf het moment dat hij als jonge vliegtuigbouwkundige in 1980 naar Haarlem kwam twintig jaar in Nederland. Festivaldirecteur Bero Beyer produceerde in zijn vorige leven het voor een Oscar genomineerde Paradise Now (2005), een portret van twee zelfmoordterroristen. Ook Omar, waarin een Palestijnse jongen gedwongen wordt voor de Israëlische geheime dienst te werken, kreeg een Oscarnominatie. Abu-Assad, die nu tussen Nazareth en Hollywood pendelt, vertelt hoe hij na het verhaal van zijn zus geïntrigeerd raakte door Assaf.

Geen Amerikaanse film

„Die jongen was echt een fenomeen. Iedereen liep uit om gezamenlijk naar zijn optredens te kijken: jong, oud, religieus, niet-religieus. Dat was ontroerend. Hij was met zijn stem de bezetting van Israël ontstegen. Kunst en talent zijn groter dan het leven.”

The Idol is voor zijn doen een milde film. „Als je jonger bent, ben je radicaler. Op een gegeven moment durf je de schoonheid en kwetsbaarheid van gevoelens toe te laten. The Idol is een sprookje in een trieste omgeving. Dat experiment was interessant voor mij. Het is ook kenmerkend voor mijn werk. In Paradise Now en Omar vertel ik een tragisch verhaal, maar dan wordt het ook komisch. In The Idol combineer ik schoonheid en lelijkheid, de prachtige stem van Mohammad Assaf over de beelden van verwoesting. Dat kan eigenlijk niet, maar in film kan het toch.”

Als The Idol een Amerikaanse film was geweest, dan had de nadruk vooral gelegen op het verhaal van het individu dat uit de puinhopen opklimt en wereldster wordt. Abu-Assad kent de scenariowetten op zijn duimpje. Tussen Paradise Now en Omar maakte hij in de Verenigde Staten de mislukte doorsneethriller The Courier. „Ik was te overweldigd door Amerika, door mensen die me vertelden hoe het allemaal wel even moest. Die fouten maak ik niet meer.” Momenteel is hij terug in Hollywood om aan een nieuwe film te werken. Maar voor The Idol zette hij in op iets anders: „Die Amerikaanse storyline zit al in het oorspronkelijke gegeven. Het ging mij om de gemeenschappelijke ervaring. Hoe zo’n jongen zo’n fenomeen wordt, maar ook zo’n samenbindende werking kan hebben. Daarom eindigt de film met mensen in heel Palestina die naar hem kijken op televisie.”

Man zonder angst

Dus ondanks de milde toon, toch een politieke film? „Wil je de waarheid? Dit is mijn meest politieke film. Mijn andere films hadden politieke onderwerpen. Maar juist als je geen politiek onderwerp hebt, kun je politiek in praktijk laten zien.” Hij vertelt hoe het voor hem als Palestijn eigenlijk onmogelijk is om niet-politiek te zijn. „Wat wil rechts Israël eigenlijk? Dat je die situatie accepteert. En dat kan alleen als je niet meer gelooft in jezelf, in je eigen identiteit. Als een Palestijnse filmmaker zegt: ‘ik geloof in mijzelf’, en een film maakt over een Palestijn, de zanger Mohammad Assaf, die ook in zichzelf gelooft, dan is dat een politieke daad.”

Mohammad Assaf is volgens hem een man zonder angst. „Hij komt uit een heel liberale familie, zijn zusje mocht van hun ouders gewoon in een band spelen, als ze haar huiswerk maar maakte. Dat is niet een beeld dat veel mensen van Gaza hebben.” Hij voelt verwantschap met de zanger: „De omstandigheden dwongen hem een volksheld te worden, net zoals ik vaak cultureel ambassadeur voor Gaza ben. Dat is het punt van The Idol: het is een ode aan Gaza en de kracht van kunst en muziek.”

    • Dana Linssen