De bioscoop wordt duurder, een tv goedkoper

Inflatie Diensten zijn sinds 1995 veel sterker in prijs gestegen dan goederen, meldt het CBS. Dat was geheel te verwachten.

Diensten zijn de afgelopen twintig jaar veel sneller in prijs gestegen dan goederen, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek woensdag. De gemiddelde prijs van diensten steeg sinds 1995 met bijna 60 procent. Die van goederen maar met 30 procent.

Dat lijkt opmerkelijk, maar is het eigenlijk niet. Diensten worden vrijwel ‘wetmatig’ sneller duurder dan goederen. Televisies werden volgens de CBS-cijfers de afgelopen twintig jaar gemiddeld ruim 11 procent per jaar goedkoper. De schouwburg, bioscoop en het concert werden daarentegen per jaar gemiddeld 4,3 procent duurder.

Het probleem van uit de hand lopende kosten in de kunstsector werd al een halve eeuw geleden onderzocht door de Amerikaanse econoom William Baumol, die in 1966 een studie afrondde naar de kunstsector: Performing arts, the economic dilemma: a study of problems common to theater, opera, music, and dance. Hij kwam op basis van zijn bevindingen met een stelling die sindsdien de Wet van Baumol wordt genoemd. De productie van goederen kan steeds efficiënter worden verricht. Robots en fabricagetechnieken dragen daar bijvoorbeeld aan bij.

In de dienstensector is zo’n productiviteitsstijging veel moeilijker te bewerkstelligen. Het bekende voorbeeld is een strijkkwartet dat Beethoven niet sneller kan spelen, of met zijn drieën. Maar in een veel grotere sector, de zorg, speelt dit ook.

Ga niet uit, blijf thuis

Hier openbaart zich een probleem: de lonen van alle werknemers stijgen op basis van de algemene prijsstijging van zowel goederen als diensten. Bij de productie van goederen wordt dat goedgemaakt door de stijgende productiviteit. Bij diensten niet of nauwelijks. Diensten zullen daarom relatief steeds duurder worden ten opzichte van goederen.

Daar komt nog bij dat internationale concurrentie een grote rol speelt bij de prijzen van goederen, die je de hele wereld over kunt sturen. Productie kan worden verhuisd. Diensten zijn juist vaak lokaal.

Nederlander is sinds begin 1996 46 procent duurder uit

Alles met een hoge dienstencomponent wordt dus relatief duurder: restaurants, evenementen, dierentuinen, hotels, voorstellingen. Alles waar je het huis voor uit moet is prijziger.

Thuisblijven daarentegen, voor een goedkopere televisie met goedkopere films, achter een goedkopere computer of telefoon met goedkopere verbinding (telecom is een van de weinige diensten die in prijs afnamen), en voedingsmiddelen (zelf koken) kost juist minder geld. Het verklaart, los van alle culturele en technologische veranderingen van de laatste jaren, waarom mensen vaker thuisblijven dan uitgaan.

Alles bij elkaar is de Nederlander sinds begin 1996 46 procent duurder uit. Dat is voor een deel te wijten aan de overheid. Het CBS berekent ook een ‘afgeleide’ index voor de consumentenprijzen. Die is gezuiverd voor verhogingen van de btw, voor accijnzen en subsidies. Die waren in de afgelopen twintig jaar verantwoordelijk voor een kleine 7 procentpunten van de totale prijsstijging van 46 procent. Zonder de overheidsbemoeienis waren prijzen slechts met 38 procent gestegen.

De roker over de kop

In de dienstensector speelt dat overigens veel minder: daar stegen de prijzen met 59 procent, maar zonder belastingen en dergelijke met 56 procent. De last valt voornamelijk bij goederen. Zonder overheidsbemoeienis zouden die met 21 procent in prijs gestegen zijn, maar door belastingen en dergelijke was de feitelijke prijsstijging 33 procent.

Dat is beleid: diensten worden, omdat ze al sneller in prijs stijgen dan goederen, vaak ontzien. Dat moet ook wel: als Baumols wetmatigheid blijft opgaan, dan worden veel diensten op termijn onbetaalbaar. De overheid en de semipublieke sector, denk aan het onderwijs en de zorg, zouden een steeds groter deel van de economie gaan opslokken. De zorg wordt dus niet alleen duurder omdat er, door bijvoorbeeld de vergrijzing of nieuwe medische technieken, meer kan en wordt gedaan. De zorg stijgt ook ‘uit zichzelf’ in prijs.

Goederen worden door de overheid minder ontzien dan diensten. Het meest pregnante, en niet verrassende, voorbeeld zijn tabakswaren. Sigaretten werden, zonder de tabaksaccijnzen mee te rekenen 50 procent duurder sinds begin 1996. Maar in werkelijkheid, dus mét accijns, gingen ze in twintig jaar twee keer over de kop.

Hedonisme in de statistiek

Een belangrijke kanttekening bij de prijsontwikkeling van goederen moet overigens wel worden gemaakt. Statistici houden ook rekening met de veranderende kwaliteit van goederen, als de prijsontwikkeling berekenen.

Met name bij technologische goederen, zoals veel consumentenelektronica, gaan de kwaliteitsontwikkelingen snel. Een computer die méér kan dan vorig jaar, maar in prijs niet is veranderd, is volgens de statistiek in prijs gedaald: je krijgt meer computer voor je geld. Denk ook aan een automodel dat niet in prijs is gestegen, maar wél airco en verwarmde buitenspiegels heeft gekregen. Dat is statistisch eveneens ‘goedkoper’.

De techniek wordt hedonic pricing genoemd, met een verwijzing naar het ondervonden genot. Dat onderstreept dat het meten van inflatie eenvoudig lijkt, maar razend ingewikkeld is. Wellicht zou Baumol zelf het CBS, wat dat betreft, hebben ingedeeld bij de Performing Arts.

    • Maarten Schinkel