Zó pessimistisch is Nederland niet

Promotie-onderzoek Dat Nederlanders somberaars zijn, is niet helemaal waar. Het helpt als politici maatschappelijk pessimisme weerspreken.

Foto BART MAAT/ANP

Het gaat de verkeerde kant op met Nederland. Dat sentiment wordt, vaak uitgedragen in het publieke debat. „Maar in de wetenschappelijke wereld is de ‘maatschappij-pessimistische burger’, zoals ik hem noem, helemaal geen hot item.” En dus deed socioloog Eefje Steenvoorden onderzoek naar de bezorgde burger van Europa, en vooral die in Nederland. Vandaag promoveert ze hierop aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Ze is ook docent Politics & Society op de Erasmus Universiteit.

Op afgescheurde stukjes papier schreef Steenvoorden steekwoorden waarmee ze de bezorgde burger probeerde te duiden. Moral aloneness, lack of utopia, risk society. De hele gemeenschappelijke vergadertafel lag vol met maatschappij-pessimisme uit de recente geschiedenis. Vervolgens onderzocht ze of er overeenkomsten waren tussen de maatschappelijke ontwikkelingen die aan het onbehagen ten grondslag lagen.

En, waarom vinden we dat het misgaat met de samenleving?

„Uit al die stukjes papier heb ik vijf thema’s gedestilleerd die steeds een rol blijken te spelen als mensen ontevreden zijn over de maatschappij. Er wordt een algeheel verlies van vertrouwen in het menselijk kunnen waargenomen, een verlies van ideologie, van politieke macht, en van gemeenschapszin. En er is sprake van een toenemende sociaal-economische kwetsbaarheid.”

„Het is misschien een moeilijke boodschap”, waarschuwt Steenvoorden, „maar ondanks ons imago van ultieme klagers, is in Nederland het maatschappelijk pessimisme relatief laag”. Alleen Luxemburg, Oostenrijk, Estland en Zweden zijn optimistischer ingesteld. „Sinds het Sociaal Cultureel Planbureau in 2008 is begonnen met meten, schommelt het aantal pessimistische burgers zo rond de 65 procent.”

Meer dan de helft van de Nederlanders is pessimistisch over de maatschappij. Gaat het wel goed met ons?

Pessimisme neemt af bij vervroegde verkiezingen

„Mensen die maatschappelijk onbehagen ervaren, zijn niet ontevreden over hun persoonlijke leven. Ze zijn onzeker over de toekomst.

„Ik heb nu wel goed werk, wordt gedacht, maar áls ik werkeloos word is de WW wel korter. En áls mijn moeder ziek wordt is de verzorging minder uitgebreid. We zien meer polarisatie tussen groepen, dat kan ertoe leiden dat mensen zich iets aantrekken ook al raakt het ze persoonlijk niet direct.”

Het pessimisme vloeit voort uit maatschappelijke ontwikkelingen, toont Steenvoorden aan. „Bij politieke instabiliteit, zoals het aftreden van ministers, groeit het maatschappelijk pessimisme. Ook zien we dat maatschappelijk pessimisme door vervoegde verkiezingen afneemt, misschien omdat er dan een slecht functionerend kabinet is afgetreden. Reguliere verkiezingen laten het maatschappelijk pessimisme juist stijgen.”

Dit is belangrijk, zegt Steenvoorden, omdat „het beeld heerst dat pessimisme een soort houding is”. „Alsof Nederlanders vinden dat het glas altijd halfleeg is.” Dat beeld wordt volgens Steenvoorden benadrukt door politiek en media. Ze haalt een uitspraak van premier Mark Rutte aan, die in 2013 zei dat we moeten stoppen met „somberen”. „Als we als land nou eens besluiten om die deken van negativisme weg te trekken”, opperde hij. „Daarmee impliceerde Rutte dat het pessimisme irreëel was, dat we het naast ons neer moeten leggen.”

Hoe moet een politicus wel reageren op pessimisme?

„De meeste maatschappij-pessimisten in Europa stemmen radicaal rechts, in Nederland de PVV. Het gevoel van onbehagen heeft dus invloed op stemgedrag. Ook als de politiek een gevoel van machteloosheid of onbehagen over iets tegenspreekt, heeft dat effect.” Steenvoorden noemt de bankencrisis uit 2008 als voorbeeld. „Toen steeg het vertrouwen in de politiek aanvankelijk heel erg. De ABN moest gered worden. Politici maakten duidelijk dat ze dag en nacht doorwerkten. Het lukte. Het beleid werd expliciet gemaakt. Later vonden burgers dat er veel te veel geld was betaald, maar op dat moment waren ze tevreden.”

Wie is de maatschappij-pessimistische burger?

„Meestal woont deze burger in niet-stedelijke gebieden. Terwijl je juist zou denken dat problemen prangender zijn in de stad. Misschien kun je het beter relativeren als je er middenin zit. De burger tussen de 35 en 55 jaar zij het vaakst pessimistisch, net als burgers met een een laag inkomen.”

Van de 65 procent pessimistische Nederlanders is een kleine groep, 4 tot 8 procent, echt boos. „Zij vinden dat ze tekort worden gedaan en geven buitenlanders of de overheid de schuld van hun eigen positie. Daar zijn ze ook emotioneel over. Ik zou ervoor willen pleiten dat we die kleine groep niet op één hoop gooien met de ‘gewone’ pessimisten. Niet alle burgers die zich zorgen maken over de samenleving gooien ruiten in van asielzoekerscentra.”

    • Kim Bos