Opinie

    • Frits Abrahams

Stille reis

Om de drukte in de treinspits te ontlopen, had ik een kaartje voor de eerste klas gekocht. Zitten is altijd beter dan staan, de gevangenis daargelaten. Dat moet ook de overtuiging zijn geweest van het oudere echtpaar dat kort voor het vertrek de coupé binnenstapte.

Ze sleepten puffend hun bagage achter zich aan, twee rolkoffers en een tas. De man, klein en mager, keek tevreden naar de vele lege stoelen en zei: „Goed dat we dit hebben gedaan.”

Hij liep al naar zo’n comfortabele zitplek met vier plaatsen, maar zag toen pas dat een jonge man hem voor was geweest. De man zat behaaglijk onderuitgezakt op zijn stoel bij het gangpad, een waterflesje aan de mond, een iPad op schoot en zijn rugzak op de stoel naast zich.

„Kijk nou ’s”, zei de man tegen zijn vrouw. Ze bleven geschokt staan. „Wat moeten we nou met al die bagage?”, vroeg de vrouw. Voorlopig waren de twee tegenover elkaar geplaatste stoelen aan de andere kant van het gangpad het enige alternatief. Ik besefte dat hier een zorgvuldig uitgewerkt reisplan wreed werd verstoord.

De oude man keek hulpeloos om zich heen. Voor de koffers was alleen plaats in het gangpad en de tas paste niet in het rek bovenin. Sommige treinontwerpers vergeten nu eenmaal dat er in treinen weleens gereisd wordt. Wat nu? De man liet zijn oog vallen op de jonge waterflesdrinker, die ontspannen tikjes uitdeelde aan zijn iPad.

„Zit u lekker?”, vroeg de man.

De vraag leek overbodig. De jonge man had zijn in spijkerstof gehulde benen vér voor zich uitgestoken en zijn gezicht vertoonde een voldane, bijna slaperige uitdrukking. Zijn reactie bleef beperkt tot een korte, onverstaanbare mompeling.

„U neemt in uw eentje vier plaatsen in beslag”, zei de oude man kwaad, „beseft u dat wel?”

De jonge man keek hem met al dan niet geveinsde verbazing aan. „Vier? Welnee.” Hij wees naar de andere drie stoelen en zei: „U kunt daar rustig gaan zitten.”

Het aanbod was minder genereus dan het klonk, want het oude echtpaar zou zich dan naast en tegenover de man moeten nestelen, samen met al die onhandige bagage. De man voelde er kennelijk niets voor zijn geriefelijke plek op te offeren voor een stoel aan de andere kant van het gangpad. De vrouw was inmiddels op zo’n stoel neergeploft. Haar man aarzelde of hij in zijn nederlaag zou berusten door tegenover haar plaats te nemen.

Toen zei hij, bijna blazend van opgekropte nijd: „Prima! Dan doen we dat toch?” Hij bewoog zich naar de zitplaats naast de man, die daar haastig zijn rugzak weghaalde. Nu was het de taak van zijn vrouw om met de bagage tegenover de twee mannen plaats te nemen. Zo zouden ze dan, op elkaar geperst als haringen in een trein, de eindbestemming moeten halen.

Ik hield mijn adem in. Zou de vrouw solidair zijn met haar man of zou ze terugdeinzen voor het vooruitzicht van een hoogst ongemakkelijke reis? Ze keek naar haar boze man en diens onvrijwillige metgezel naast zich en zei zachtjes: „Ik blijf liever hier met de koffers.”

Haar echtgenoot zweeg gelaten. Na enkele minuten verhuisde hij naar de stoel aan het raam en zo bleef hij zitten, schuin tegenover de jonge man en gescheiden van zijn vrouw door het gangpad. De reis duurde nog anderhalf uur en niemand sprak een woord.

    • Frits Abrahams