Simon, Clapton en White zijn er nog, maar grijs en ongevaarlijk

Pop Platen maken of pensioen plannen? Voor rockers als Paul Simon, Eric Clapton en Tony Joe White is er weinig verschil tussen die twee.

Paul Simon op een festival in New Orleans, vorige maand. Foto Amy Harris / Hollandse Hoogte

1969 was een groeizaam popjaar, als we de overlevingskracht van de toen prominente artiesten geloven mogen. Paul Simon werkte aan de zwanenzang Bridge Over Troubled Water van Simon & Garfunkel. Tony Joe White had zijn eerste hit met ‘Polk Salad Annie’, later gecoverd door Elvis en Tom Jones. Eric Clapton vulde de tijd tussen de successen van Cream en Derek and the Dominoes met de supergroep Blind Faith.

Toeval bestaat niet nu dit veteranentrio van zeventigers tegelijk nieuwe albums uitbrengt, in alle drie de gevallen misschien wel hun laatste. Voordat u in een groot gat van verveling valt over zoveel aandacht voor deze popgrijsaards: ook The Monkees hebben deze week een nieuwe plaat uit. Jongens, ga nou toch eens met pensioen.

Het wordt nooit meer 1969, dat legendarische jaar waarin The Beatles uit elkaar knalden en Woodstock het begin inluidde van de verstikkende babyboomcultuur. Wat waren ze allemaal hip en ruimdenkend en wat een geweldige muziek was er al gemaakt door de kort daarop geofferde frontsoldaten Jimi Hendrix, Janis Joplin en Jim Morrison. Er trok een grote zwarte mist over het artiestendom die ook Kurt Cobain en Amy Winehouse zou treffen. De kiem voor de dodelijke 27 Club (van groots en gevaarlijk levende artiesten die op hun 27ste stierven) werd in ’69 gelegd.

Kunnen we daar ons brave trio survivors de schuld van geven? Nee, want ze bleven ambachtelijke platen maken die vertrouwd en degelijk klinken. Clapton (71) zingt: „I just keep playing these blues / hoping that I don’t lose.” Precies zo voorspelbaar is zijn album met een paar J.J. Cale-covers, een handvol bluesklassiekers en muziek die gezapig voortkabbelt.

Paul Simon (74) keert terug naar Graceland-achtige sferen met veel percussie, galmende omgevingsgeluiden en de droge ‘You Can Call Me Al’-humor van ‘Wristband’. Afwijkend van zijn hoogstaande maar inmiddels wel bekende songschrijverspraktijk wordt het pas in ‘Insomniac’s Lullaby’ waar hij gebruik maakt van het zelfgebouwde instrumentarium van avant-gardecomponist Harry Partch voor een spookachtig liedje.

En Tony Joe White (72) maakt gewoon waar hij het beste in is: zompige swamprock die in de loop der jaren hooguit nog wat onderuitgezakter is gaan klinken. Tenminste drie van de tien songs op Rain Crow kunnen tippen aan het zuigende moerasgevoel van ‘Polk Salad Annie’. Daarmee komt White het dichtst bij de spirit van ’69, toen er nog gevaarlijke muziek gemaakt werd.