Praten met de krant? De staat luistert mee

Afluisteren AIVD en politie luisteren journalisten en hun bronnen af. Wie durft er dan nog met de pers te praten?

Illustraties Anne van Wieren

Verslaggever Joep Dohmen zat op 10 mei bij de rechtszaak tegen de gevallen VVD-politicus Jos van Rey, toen de aanklager ineens zijn naam noemde. Dohmen hoorde hoe de aanklager citeerde uit telefoongesprekken die hij en een collega van NRC in 2012 hadden met de verdachte. Een uitgetypte versie van dat gesprek verscheen op een projectiescherm in de rechtszaal. Hij was afgeluisterd. Ook getapt: na dat gesprek vier jaar terug, sms’te Van Rey met de staatssecretaris: „Hallo Frans, schandalig gesprek met Joep Dohmen van NRC gehad…”

Ja, journalisten in Nederland worden afgeluisterd. Onduidelijk is hoe vaak. Dat de politie in totaal per jaar zo’n 25.000 telefoons tapt is bekend – maar de cijfers van de inlichtingendiensten AIVD en MIVD zijn ‘staatsgeheim’. AIVD-woordvoerder Martinette Bemelmans: „Wij zeggen nooit óf we mensen afluisteren, en ook niet hoeveel.” De laatste keer dat de minister tapcijfers van de diensten bekendmaakte, was in 2009: in totaal respectievelijk 1.078 en 53 taps. Onbekend is hoeveel journalisten daartussen zaten, maar dat gesprekken tussen journalisten en hun bronnen door de inlichtingendiensten worden afgeluisterd staat vast.

Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) schendt de Nederlandse staat daarmee de persvrijheid. De minister gaat nu de wet veranderen om journalisten en hun bronnen beter te beschermen. Journalistieke organisaties hebben kritiek op die nieuwe regels. Ze gaan niet ver genoeg, of ze werken averechts. De Tweede Kamer praat op 27 juni over de wetsvoorstellen.

Uitgetypt telefoongesprek van NRC-redacteur Marcel Haenen en een Brabantse koffieshophouder, die werd afgeluisterd door de recherche.  Dit verslag zat in het strafdossier van de Brabander. (Ingekort en deels gecensureerd door de redactie om de privacy te beschermen.)

Uitgetypt telefoongesprek van NRC-redacteur Marcel Haenen en een Brabantse koffieshophouder, die werd afgeluisterd door de recherche. Dit verslag zat in het strafdossier van de Brabander. (Ingekort en deels gecensureerd door de redactie om de privacy te beschermen.)

Als een journalist wordt afgeluisterd, gaat het vaak om ‘bijvangst’. Zoals bij het voorbeeld van Dohmen: niet hij werd afgeluisterd, maar Van Rey. Maar de afgelopen jaren speelden spraakmakende zaken waarin vooral Telegraafjournalisten wel degelijk rechtstreeks werden afgeluisterd: Bart Mos, Joost de Haas, John van den Heuvel, Jolande van der Graaf. In verschillende van deze gevallen was de aanleiding een artikel waarin de AIVD of de recherche er ongunstig op stond en dus zelf een belanghebbende was. Bemelmans van de AIVD: „Als er iets gepubliceerd wordt waarvan wij het vermoeden hebben dat er staatsgeheimen op straat komen te liggen, dan moeten wij natuurlijk wel onderzoek doen. Maar afluisteren doen we alleen als het echt noodzakelijk is en als er geen andere middelen zijn.”

Badr Hari deed nogal bedreigend

Afluisteren is vooral een probleem voor de mensen die informatie geven aan journalisten. De pers kan alleen goed functioneren als bronnen goed beschermd worden, met recht op anonimiteit. Zeker als het om bronnen gaat die een conflict hebben met de overheid, of die daarvoor moeten vrezen. Het gevaar dreigt dat bronnen geen journalisten meer durven te benaderen als ze weten dat ze misschien worden afgeluisterd.

Juist om die reden hebben journalisten een aparte status. Ze zijn ‘geheimhouders’ of ‘verschoningsgerechtigden’. Net als bijvoorbeeld advocaten, artsen, priesters en vroedvrouwen – mensen met wie je in vertrouwen iets kunt delen. Ze mogen in beginsel niet afgeluisterd worden om een bron te achterhalen.

„In alle gevallen moet de bron ervan uit kunnen gaan, dat Justitie of AIVD niet meeluisteren of achteraf brongegevens kan opvragen”, stelt Thomas Bruning van persvakbond NVJ. Het genootschap van hoofdredacteuren stelde vorige week in een protestbrief aan de Tweede Kamer: „Bronbescherming en verschoningsrecht zijn cruciaal voor de persvrijheid, het functioneren van de pers en daarmee het functioneren van de democratie. De neiging van de overheid om te willen beheersen wat in een democratie juist open, onafhankelijk en vrij moet zijn, is hiermee in strijd.”

Dus dan zeg ik: zeg maar niks, we spreken wel af.

John van den Heuvel, De Telegraaf

John van den Heuvel, misdaadjournalist voor De Telegraaf, werd zeven maanden afgeluisterd door de rijksrecherche. Hoe kwam hij erachter? „Ik werd getipt door een advocaat, die telefoongesprekken van mij in een strafdossier zag zitten. Ze bleken een machtiging te hebben voor twee weken, maar ze hadden de tap gewoon door laten lopen, ook op mijn mobiele telefoon en mijn privélijn.” Van den Heuvel ging verhaal halen, toen hij door de recherche werd verhoord. „Ze reageerden laconiek: ‘Oh, we zullen eens navragen bij het OM.’ Wat kon ik doen? Bij het bureau de ruiten ingooien?”

„Het is een buitengewoon vervelend gevoel”, zegt hij, „een enorme inbreuk op de privacy. Maar vooral vervelend voor de mensen die mij benaderen met tips. Zij die zich zorgen maakten, belden zelf. En ik merkte in de periode erna dat bronnen veel voorzichtiger waren. Het gaat dan niet alleen om criminelen, maar juist om mensen die bij de overheid werken.”

Van den Heuvel is ook een paar keer afgeluisterd omdat er een tap zat op zijn gesprekspartner. „Zo zat een telefoongesprek van mij in het dossier van Badr Hari. Dat kwam mij niet zo slecht uit: Badr Hari deed nogal bedreigend in mijn richting. Zo konden de afluisteraars meteen wegen wat voor soort risico deze man met zich meebracht.”

Gevaar van willekeur

Drie keer oordeelde het Europees Hof dat Nederland artikel 10 (persvrijheid) van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens schendt, de laatste keer in een zaak waarin journalisten van De Telegraaf waren afgeluisterd door de AIVD, na een artikel over een lek bij diezelfde dienst.

Medewerkers van inlichtingendiensten die een journalist willen afluisteren, moeten dat eerst vragen aan de minister van Binnenlandse Zaken, die vervolgens een bindend advies vraagt aan een speciale toetsingscommissie. Medewerkers van de politie of het OM hoeven alleen toestemming te hebben van een rechter-commissaris.

In Nederland is het gevaar van willekeur bij dit soort geheime acties te groot, zo zegt het Europees Hof. Een onafhankelijke instantie zou ze vooraf eerst moeten toetsen. Daarom wordt de wet nu aangepast. Op twee plaatsen. In de Wet op de inlichtingen– en veiligheidsdiensten komt te staan dat geheime diensten die een journalist willen afluisteren om bronnen te achterhalen, eerst vooraf toestemming moeten vragen aan een rechter. Verder komt er een nieuwe wet Bronbescherming in strafzaken, die een vergelijkbare toets regelt.

Spreek af, of schrijf een brief

Verschillende partijen hebben al grote bezwaren geuit tegen de wetsvoorstellen. Otto Volgenant van Boekx Advocaten te Amsterdam heeft als voorzitter van de Studiecommissie Journalistieke Bronbescherming een lange lijst met bezwaren. Een van de zorgen: de minister wil in de nieuwe wet zijn geheime dienst juist méér bevoegdheden geven. Ze mogen ook hele bundels internetgegevens gaan verzamelen. Bij zo’n ‘schepnetmethode’, berucht uit de NSA-zaak van klokkenluider Edward Showden, halen de diensten mogelijk ook gegevens van journalisten binnen. De nieuwe waarborgen voor bronbescherming gaan dan meteen het raam uit.

Op de wet kunnen journalisten en hun bronnen dus nog niet bouwen. Wat moeten ze dan doen? Voorzichtig zijn, zegt John van den Heuvel: „Vertrouwelijke informatie moet je nooit over de telefoon bespreken. Je moet elkaar in de ogen zien. Dus dan zeg ik: zeg maar niks, we spreken wel af.” Net als vroeger dus, met Deep Throat in het Watergate-schandaal. Of, zoals NRC-redacteur Joep Dohmen bepleit: stuur een handgeschreven brief. Al dan niet in een bruine envelop.