Column

Hoe het graan ons een loer draaide

Neem een prehistorisch dorp en laat de mensen daarin voortaan niet alles zelf doen, maar laat ze de taken verdelen. Dus één doet voortaan al het smidswerk, een bouwt en onderhoudt de hutten, enzovoort. Je zult zien dat die specialisatie zorgt voor een hogere productie met dezelfde moeite. Mensen worden beter in hun vak en maken samen meer dan vroeger. Er ontstaat een surplus aan spullen, zodat er dorpsbewoners kunnen worden vrijgesteld zonder directe productieve arbeid te verrichten. Een priester of medicijnman (m/v), een stamhoofd. Er komt een water- of windmolen, dieren worden ingezet voor de ploeg en ga zo maar door. Specialisatie, arbeidsverdeling, machines en andere kapitaalgoederen: ze zorgen voor een verhoging van de productiviteit. En die hogere productiviteit zorgt voor een hogere welvaart en hopelijk ook welzijn.

Zie hier de economische geschiedenis van de mens in een notendop. De vaart kwam er bij de Industriële Revolutie pas goed in. Nu genieten we, met name in het Westen, van een ongekend hoge welvaart.

Geldt dat ook voor ons welzijn? Er zijn mensen die daar kanttekeningen bij plaatsen. Yuval Hariri, de schrijver van het boek Sapiens: A Brief History of Humankind, stelt dat we het veel beter hadden als jager/verzamelaars dan als beoefenaren van de landbouw en daarna. Volgens hem heeft het graan ons, door ons te domesticeren in plaats van andersom, destijds een behoorlijke loer gedraaid.

Voor een groei van de welvaart is volgens de meeste economen een voortdurende stijging van de productiviteit nodig. Dat betekent slimmer werken, een betere taakverdeling, de inzet van méér machines. En ook de prikkels om beter te wíllen presteren. Vandaar die pleidooien voor méér concurrentie en minder monopolies.

Nu lijden we in het Westen al vrij lang, ruwweg sinds de jaren zeventig in Europa en eind jaren negentig in Noord-Amerika, aan een gestaag dalende productiviteitsgroei. Dat is een fundamenteel probleem: de jaarlijkse vergadering van de OESO, die dinsdag in Parijs begint, staat niet voor niets geheel in het teken van productiviteit.

Vorige week veroorzaakte de Amerikaanse Conference Board (met overigens de Nederlandse productiviteitsdeskundige Bart van Ark als hoofdeconoom) voor ophef door te stellen dat de Verenigde Staten dit jaar zelfs een daling van de productiviteit zullen doormaken.

Dat zorgde voor enige consternatie. In de naarstige zoektocht naar de oorzaak voor de opkomst van Donald Trump (en van ‘populisten’ ter linker- en rechterzijde van het spectrum in Europa) speelt de productiviteit een belangrijke onderliggende rol. Stagnerende productiviteit betekent ook stagnerende lonen – en het knagende gevoel dat je kinderen het niet beter krijgen dan jij. En dat zou de volkswoede weer verklaren.

Vandaar dat er gehamerd wordt op het vitaliseren van de economie, op méér investeringen en beter onderwijs als medicijn tegen het populisme. Anderen, waaronder bijvoorbeeld nog gisteren de beleggingsreus Fidelity, gaan er van uit dat verschijnselen als Trump vanzelf verdwijnen als de economie en de productiviteit weer aantrekken.

Dat is misschien allemaal te makkelijk gedacht. Productiviteit is veel, maar het is niet alles. Nederland maakte zijn laatste grote productiviteitssprong door tussen 1995 en 2002. Juist deze deze laatste oprisping van voorspoed, culminerend in een koopkrachtstijging van maar liefst 4,4 procent in 2001, zag de opkomst van Pim Fortuyn en zijn ‘Puinhopen van Paars’. Dat het toen juist, voor het laatst, laaiend goed ging met de welvaart, was geen bezwaar.