Embryowet blijft te beperkt

Voorstel voor verruiming van Embryowet gaat niet ver genoeg, menen Guido de Wert en anderen.

illustratie Ruben L. Oppenheimer

Eind vorige week deed minister Schippers het voorstel de Embryowet te verruimen door het categorische verbod op het doen ontstaan van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek te vervangen door een ‘nee, tenzij’. Dit voorstel neemt een wettelijke blokkade voor belangrijk onderzoek weg en verdient steun. De vraag is wel of het voldoende ruimte biedt voor echte doorbraken in het belang van betere patiëntenzorg.

De Embryowet zoekt een evenwicht tussen respect voor menselijk leven en het belang van kennisvermeerdering die kan leiden tot verbetering van de patiëntenzorg. De wet is terughoudend wat betreft het toelaten van het ‘instrumenteel’ gebruik van (menselijke) embryo’s. Deze terughoudendheid komt ook tot uitdrukking in het verbod van het doen ontstaan van embryo’s uitsluitend voor onderzoek; de wet staat uitsluitend onderzoek met restembryo’s toe, en dan alleen nog onder strenge voorwaarden. Dit verbod is van tijdelijke aard. Schippers maakt gebruik van de in de Embryowet zelf geboden mogelijkheid dit verbod op te heffen (art. 33 lid 2).

Een embryo van enkele dagen is nog geen mens en heeft dus ook niet dezelfde beschermwaardigheid die mensen toekomt. Dit standpunt wordt breed gedeeld en ligt ten grondslag aan de ruimte die de Embryowet laat voor onderzoek met restembryo’s en al om te beginnen voor IVF als een vruchtbaarheidsbehandeling waarbij haast onvermijdelijk restembryo’s ontstaan. Welnu: de opvatting dat net bevruchte eicellen een relatief lage status hebben, biedt ook ruimte voor het (onder nader te bepalen voorwaarden) doen ontstaan van embryo’s voor onderzoek. De critici die de voorgestelde verruiming “een stap te ver” noemen (Dik-Faber, website ChristenUnie) delen deze opvatting niet. Zij zouden het liefst een stap terugzetten en iedere vorm van embryo-onderzoek verbieden. Logisch: voor wie embryo’s als mensen ziet, is het in de Embryowet gezochte evenwicht hoogst problematisch. Maar dat is een minderheidsstandpunt waardoor de discussie over de nadere vormgeving van dat evenwicht zich niet moet laten gijzelen.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Embryowet blijkt dat ook de wetgever geen principiële bezwaren zag tegen het doen ontstaan van embryo’s voor onderzoek. Dat toch een voorlopig verbod werd ingesteld, had te maken met de overtuiging dat dit verbod geen acute belemmering opwierp voor belangrijk onderzoek. Dit werd bekritiseerd in twee evaluaties van de Embryowet, een kritiek die de minister nu gelukkig serieus neemt.

Toch is er wel degelijk sprake van een principiële verandering – maar dan van andere aard dan de critici van de voorgestelde verruiming suggereren. In de praktijk komt het regelmatig voor dat nieuwe, experimentele (hulp)technieken voor geassisteerde voortplanting meteen bij patiënten worden uitgeprobeerd. Er is gelukkig steeds meer kritiek op deze praktijk. Nieuwe geneesmiddelen mogen pas na adequaat onderzoek naar effectiviteit en veiligheid in de kliniek worden geïntroduceerd. Dat moet ook hier het uitgangspunt zijn. Als preklinisch onderzoek met menselijke embryo’s kan bijdragen aan inzicht in de veiligheid van nieuwe voortplantingstechnieken, en als dit niet kan worden uitgevoerd met restembryo’s, moet het (onder voorwaarden) mogelijk zijn daarvoor embryo’s te maken. Een wet die dit categorisch verbiedt, beschermt prille embryo’s beter dan aanstaande ouders en hun toekomstige kinderen. Het is terecht dat de minister de eerdere, tijdelijk vastgestelde, balans nu bijstelt.

Maar helaas is de voorgestelde verruiming beperkter dan wat bij de opstelling van de Embryowet was voorzien. Het voorstel is beperkt tot drie specifieke toepassingen die slechts een klein deel betreffen van de patiënten die momenteel niet of slechts ten dele behandeld kunnen worden voor hun vruchtbaarheidsstoornis. Dat daarbij ‘fundamenteel’ onderzoek naar de embryonale ontwikkeling expliciet onder het verbod blijft vallen, miskent dat het zonder zulk onderzoek nooit tot ‘directe klinische relevantie’ kan komen. Het hele onderscheid is problematisch en in geen van de andere landen waar embryo’s gemaakt mogen worden voor onderzoek geldt een dergelijke restrictie. Wij bepleiten vast te houden aan de formulering in artikel 11 van de Embryowet, waar staat dat na opheffing van het verbod, embryo’s uitsluitend gemaakt mogen worden voor „onderzoek waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat het zal leiden tot nieuwe inzichten op het terrein van onvruchtbaarheid, voortplantingstechnieken, erfelijke aandoeningen of transplantatiegeneeskunde”.

Tot slot: terecht vraagt minister Schippers aandacht voor de positie en bescherming van eiceldonoren die nodig zijn voor het maken van ‘researchembryo’s’. Mogelijk komt op afzienbare termijn een nieuwe bron van donoreicellen beschikbaar: nu een toenemend aantal vrouwen eicellen invriest voor ‘fertiliteitsbehoud’, zullen regelmatig rest-eicellen beschikbaar zijn. De verder te voeren discussie zal ook moeten gaan over de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden dergelijke rest-eicellen kunnen worden gebruikt voor het maken van embryo’s voor onderzoek.