‘Eerst komt het wachten, het verheugen…’

Even niets. Even niet opiniëren en ingrijpen, maar de situatie voor onbepaalde tijd op haar beloop laten. Radio aan: een oud liedje van Julien Clerc. ‘Le Canon de la Nation’. De zanger zit moederziel alleen in een café, bij het kanon van de natie, en wacht.

maximfebruari0
Hij is op date, zou de jeugd zeggen. Hij heeft net thee met citroen besteld en houdt het oog gericht op de deur. Geest en lichaam beven. „J'ai le regard et les genoux dans un grand flou.

Het is een artistiek thema, een topos, een cliché, dit zitten en wachten. Op exact dezelfde manier als Clerc zit ook de dichteres Vasalis te wachten in een groot en leeg café. „En alle bleke kelners wachtten mee. Zij spraken weinig, met gedempte stem: ze wacht op hem, ze wacht op hem, op hem.” In beide gevallen kun je de scène voor je zien. Een verlaten café geschilderd door Edward Hopper. Een eenzame ziel aan een tafeltje. Zoals ook de dichter William Butler Yeats in zijn eentje – ‘a solitary man’ – ergens in Londen zit. „An open book and empty cup on the marble table top.”

Buiten staan bomen. Bij Vasalis branden die in het park omhoog, bij Clerc staan ze zich onder een zilvergrijze lucht te verbazen. De zanger heeft een zevende kop thee besteld en de oude kelner begint zich duidelijk zorgen te maken over de rekening. Verder gebeurt er niets. Niets buiten wachten en beven. Als je bereid bent af te zien van de romantische setting, kun je begrijpen hoe belangrijk dit moment is. Voor het leven, maar ook voor management en beleid. Het moment waarop je wacht op het nieuwe dat komen gaat, maar dat er nog niet is.

Het is een bevroren beeld, een open plek in het bos, een korte fase waarin je nog geen beslissing neemt, omdat je nog niet weet op basis waarvan. Zolang je wacht is er hoop, zodra het wachten voorbij is, kan de hoop alweer zijn vervlogen. „Ik wachtte op haar, maar ze kwam niet. Waartoe dan die tak gebroken in zijn bloei? De nachtegaal zou erop komen zingen.”

Het artistieke cliché van het wachten gaat niet over de liefde, het gaat over het talmen. Ik merk dat ik rijen citaten over dit ledige moment uit mijn geheugen opduik, alsof het hele leven hierom draait en altijd gedraaid heeft. Jacques Brel die op Madeleine staat te wachten. Straks zullen ze de tram nemen om frites te gaan eten bij Eugène. Niet dat ze komt, Madeleine, ze komt nooit, iedere week opnieuw niet; de seringen in zijn hand zijn verregend, hij gooit ze weg, maar morgen staat hij er weer met nieuwe seringen voor Madeleine, qui n’arrive pas.

Madeleine, ze komt nooit, iedere week opnieuw niet

Het wachten, op Madeleine, de toekomst, Godot, is een gebeurtenis op zich. Het vraagt om een houding, om de geneigdheid af te zien van handelen en kiezen. Om openheid. „Toen was ik niets meer dan maar één tentakel / die blindlings strekte, één blind oog voorop /en één doof oor, één sprakeloze, open mond”, schrijft Vasalis. Niets dan ontvankelijkheid. Er is geen standpunt in te nemen, omdat het daarvoor nog te vroeg is, er is geen richting te bepalen, omdat je niet weet uit welke hoek de toekomst waait.

De zanger Clerc zit intussen nog steeds te wachten in café Au Canon de la Nation. De koppen thee die de oude kelner hem heeft gebracht zijn niet meer te tellen; de vermoeide flipperkast heeft het begeven. Buiten lopen eenzame kinderen in nette rijen van de oorlog te dromen. De fut dreigt duidelijk uit de situatie te raken. Niettemin houd je als luisteraar je hart vast, want wat als die eenzame kinderen opeens in actie komen? Met hun oorlogsverlangen? Je kunt wel denken dat alles vanzelf goed komt, maar dat moet de toekomst nog uitwijzen. Dat is nog helemaal niet zeker.

Zo is dit vredige moment van niets doen in wankel evenwicht. Als je zou denken dat je voor altijd in dit moment kunt blijven, altijd blijven hopen en vertrouwen, heb je buiten de rauwe werkelijkheid gerekend. De tijd schrijdt voort, de situatie kan niet blijven duren, onvermijdelijk steven je af op beleid, opinie, verwikkeling. De dichteres Judith Herzberg weet dit het best. „Eerst komt het wachten, het verheugen, / leunend tegen lage muurtjes, // dan komt het voorgevoel van / hoe-nu-verder //daarna het hoe-nu-verder /zelf.”

Het moment spat uiteen. De eenzame ziel tegen het lage muurtje blijft het liefst nog een laatste tel in het wachten hangen. „Tot hij daar was, tot hij daar stond / en ik, nog ganselijk verloren, / hem nauw kon zien, hem nauw kon horen”, schrijft Vasalis. Maar ook al raak je door het nieuwe kort verblind – „je ne vois plus le canon ni la nation” – de toekomst is gearriveerd, je bent weer aan zet.

Management by doing nothing. Of het iets gelukkigs teweeg heeft gebracht, moet nog blijken. Maar het wachten is voorbij.