Column

De Grote Drie

‘Nog iets interessants gehoord van de partij?”, vroeg ik mijn vrouw. Ze zocht, licht schouderophalend, een mailtje op dat enkele dagen eerder was binnengekomen. „Je zult het wel weer niet interessant genoeg vinden”, zei ze, maar ze begon het toch maar voor te lezen. „Beste partijgenoot, vanaf nu kun je bepalen wat er besproken gaat worden op de Politieke Ledenraad van 4 juni in Nieuwegein. Via het zogenoemde Ledenpanel kun je…”

„Aardig”, onderbrak ik haar zo diplomatiek mogelijk, „maar heb je niks gekregen over de machtsstrijd aan de top van de PvdA?”

„Wie zegt dat die er is?”, vroeg ze.

„Ik.”

Kort verwees ik naar de recente berichten vanuit de boezem van de partij die me waren opgevallen: Aboutaleb die aankondigde dat hij lijsttrekker wilde worden, tenzij Samsom besloot aan te blijven. Trok Samsom zich terug, dan wilde Aboutaleb wél ten strijde trekken tegen Asscher. Opmerkelijk, want nog in 2012 sprak Aboutaleb zich uit voor Asscher als partijleider; die was toen echter niet beschikbaar en het werd Samsom. Kennelijk is Aboutaleb de afgelopen jaren enigszins teleurgesteld geraakt in vicepremier Asscher. Hoe dan ook, hij vindt zichzelf inmiddels beter dan Asscher.

„Beste partijgenoot”, zei ik tegen mijn vrouw, „als jij nu mede mag bepalen wie de nieuwe partijleider wordt, wie zou je dan kiezen?”

„Die vraag is niet opportuun”, zei ze met een sluw lachje, want ze mag het politieke jargon graag parodiëren.

„Voor mij als echtgenoot is-ie wél opportuun.”

„Laat eerst de Grote Drie – Samsom, Aboutaleb, Asscher – maar tegen elkaar strijden”, zei ze, „en Timmermans mag er ook nog bij. Daarna bepaal ik mijn keuze.”

„Maar Aboutaleb wil wel tegen Asscher, niet tegen Samson.”

„Ja, en dat vind ik heel raar van hem”, zei ze. „Want waarom zouden we niet tussen hem en Samsom mogen kiezen? Geef de leden maar een zo breed mogelijke keuze! En waarom heeft Aboutaleb meer vertrouwen gekregen in Samsom dan in Asscher? Dat zou ik graag van hem weten.”

Eigenlijk weten we erg weinig van de politicus Aboutaleb af, constateerde ik. Ik verwees naar een terechte vraag van Felix Rottenberg in zijn column in Het Parool: „Maar is Aboutaleb wel een sociaal-democraat? Of is hij een sociaal-conservatief?”

„Precies”, zei ze, „daarom is het veel beter als Aboutaleb met de billen bloot moet, zowel tegenover Samsom als Asscher.”

Ze riep een beeld op dat me helemaal niet kon bekoren, maar ik begreep wat ze bedoelde. „Als Samsom zich wel beschikbaar stelt”, viste ik verder, „en dus alleen tegenover Asscher komt te staan, naar wie gaat je voorkeur dan uit?”

„In de politiek moet je nooit als-dan vragen beantwoorden”, zei ze, weer met dat lachje, „maar ik wil wel een klein voorschot nemen…”

„Dank u…”

„Ik wil Samsom nog niet afschrijven”, zei ze. „Hij heeft als fractieleider moed getoond en het nodige bereikt. Asscher heeft me nog niet helemaal kunnen overtuigen. Hij heeft soms iets vaags, iets wolligs, ik weet nog niet goed wat ik aan hem heb.”

„We gaan het zien”, sloot ik af. Bijna had ik er, nóg hedendaagser, aan toegevoegd: „Geniet ervan!” Maar daarvoor is de PvdA niet opgericht.