‘We hebben nú een bed nodig. Deze man gaat dood’

Spoedhulp Op de meldkamer ambulancezorg in Amsterdam schrikken ze niet zo gauw. Maar de laatste tijd is er stress: ziekenhuizen zitten steeds vaker vol. „U moet nu echt komen!!”

Met knipperende blauwe lichten staat de ambulance op de vluchtstrook van de ringweg bij Amsterdam. De patiënt achterin vecht voor zijn leven na een hartaanval. Hartmassage. De ambulancebemanning belt de meldkamer. Welk ziekenhuis heeft plek? Aarzeling bij de telefonisten. De eerste harthulp van het dichtstbijzijnde ziekenhuis is overvol en heeft de deuren gesloten. Die van het volgende ziekenhuis ook. Sterker, constateren de centralisten, álle spoedafdelingen voor eerste harthulp in Amsterdam hebben een opnamestop. De ambulancebemanning is radeloos. Ze staan al negen minuten stil op de vluchtstrook.

Van dit moment bestaat een geluidopname. Een ambulanceverpleegkundige door de portofoon, met overslaande stem: „Deze man gaat dood. We hebben nú een bed nodig!”

Het is een schrikbeeld voor medewerkers van de meldkamer ambulancezorg in Amsterdam. Dit is het risico als afdelingen spoedeisende hulp hun deuren tijdelijk sluiten. Dat gebeurt steeds vaker, bleek vorige week uit een brandbrief die de Regionale Ambulance Voorziening in de regio’s Noord-Holland en Flevoland aan minister Schippers (Zorg, VVD) stuurde. Vorig jaar hadden spoedeisendehulpafdelingen van negentien ziekenhuizen in de regio 2.300 keer een opnamestop. Drie jaar geleden kwam dat nog maar 430 keer voor. „Als er niets verandert, gaat het een keer mis”, staat in de brief.

Verlammingsverschijnselen

Op de derde verdieping van een neutraal ogend pand in Amsterdam is de meldkamer ambulancezorg, waar 112-telefoontjes voor de regio worden afgehandeld. Een plek waar de deur normaal gesproken gesloten blijft, maar deze keer wil Ambulance Amsterdam (ruim 500 medewerkers) laten zien wat voor problemen de opnamestops kunnen veroorzaken.

Linda werkte vijftien jaar als ambulanceverpleegkundige. Sinds vijf jaar is ze centralist. Deze ochtend is zij de ‘senior’ die de leiding heeft. Alle centralisten zijn opgeleid tot verpleegkundige. Ze zijn verantwoordelijk voor het rondsturen van de ambulances en de triage; met hoeveel spoed moet de ambulance naar een patiënt? Dat is geen eenvoudige taak, een verkeerde inschatting van de centralist kan een mensenleven kosten. Dat is ook de reden dat Linda niet met haar achternaam in de krant staat; het is niet de bedoeling dat patiënten haar opzoeken als ze het oneens zijn met een inschatting.

112-meldingen geven een apart, doordringend geluid als ze binnenkomen. Een dochter aan de lijn. Haar vader ziet bleek, zakt op de grond, heeft hartritmestoornissen. „U moet nu echt komen!!”

Een vrouw komt thuis en ziet haar man op de bank zitten met verlammingsverschijnselen „Hij zweet, maar hij praat wel tegen me.” In de richting van de kamer: „Halló? Kun je nog praten?”

Centralist Linda leidt de bellers door het gesprek, stelt veel vragen – „verandert zijn huidskleur?” – en voert de antwoorden in op de computer. De ambulancebemanning leest dat en weet meteen welke situatie ze zal aantreffen.

Eerste harthulp

Vijf computerschermen heeft Linda voor zich. Voor een buitenstaander zijn het lijsten met lastig te ontcijferen codetaal. In het rood de ambulances die met spoed onderweg zijn. Deze ochtend – „extreem rustig, vandaag” – zijn het er steeds meer dan tien. Wanneer het druk is, zijn 55 wagens onderweg. Nu gaat een ambulance met spoed naar een vrouw die problemen heeft na een bevalling. Een andere wagen rijdt met sirene naar het bos – daar is een 51-jarige man onwel geworden.

Meldingen met minder spoed zijn geel. Een oude mevrouw die is gevallen in een verzorgingshuis en pijn heeft aan haar heup. In grijs het ‘bestelde’ ambulancevervoer. Een patiënt die naar een hospice gaat, om daar haar laatste dagen door te brengen. Op een computerscherm rijden stipjes in verschillende kleuren over een routekaart van het gebied.

Om 11.07 uur krijgt Linda een melding. De eerste harthulp van een ziekenhuis in de regio is vol. Direct stuurt Linda een bericht aan alle ambulanciers in de regio. Hun piepers trillen: afdeling gesloten, omrijden. Vanaf dat moment is het hopen dat niemand in de omgeving van de gesloten afdeling een hartaanval krijgt. Dan zouden ambulances moeten uitwijken. Linda: „Dat is vaak ver weg, soms echt te ver.”

Geen enkele opwinding op de meldkamer over de opnamestop. Business as usual. Eigenlijk best vreemd, vindt Linda: „Een stop is gewoon gevaarlijk. Patiënten moeten naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis kunnen. We sturen niet voor niets een ambulance; dan is er spoed.”

Medisch onverantwoord

Een paar minuten later weigert ze streng om een ambulance te sturen naar een man met een gescheurde achillespees. Linda: „Als het kan, wil ik liever geen ambulance bezet houden. We hebben overal wagens nodig, zeker als we niet naar bepaalde ziekenhuizen kunnen.”

In zijn kantoor zit Frank Berg, hoofd van de meldkamer ambulancezorg in Amsterdam. Hij baalt. „Dat zelfs vandaag, toch een rustige dag, een opnamestop is afgekondigd, zegt veel. We hebben er elke dag mee te maken. We moeten mensen soms van hot naar her brengen. Dat is medisch gezien soms onverantwoord, patiënten moeten zo snel mogelijk geholpen worden. Het is bovendien ook pijnlijk voor familie, die lastiger op bezoek kan gaan als een patiënt ver weg ligt.”

Berg was in de meldkamer toen de ambulance met de man van de hartaanval stilstond op de vluchtstrook. Hij zag de paniek om zich heen. Alle centralisten belden ziekenhuizen en smeekten die bijna hun deuren te openen. Eén ziekenhuis kon uiteindelijk spoedhulp toezeggen; een andere patiënt werd verplaatst zodat een bed vrijkwam. Het leven van de hartpatiënt werd gered. Berg: „Die negen minuten stilstaan op de vluchtstrook hadden bijna een leven gekost. Dat mag nooit gebeuren.”