Column

Tourfietsers

Een verschil tussen voetbal en wielrennen is dat veertigers en vijftigers na een goede voetbalwedstrijd tenminste niet denken dat ze dat ook kunnen: met een schijnbeweging drie man passeren. Ze gaan in ieder geval niet massaal de straat op om dingen te doen die ze qua fysiek helemaal niet (meer) kunnen.

Dat is vreemd genoeg anders bij wielrennen.

Steven Kruijswijk hoeft maar een paar dagen in het roze te rijden of de verkoop van racefietsen schiet weer omhoog. Voor bergbewoners in Frankrijk is het inmiddels vertrouwd: Nederlanders in een midlifecrisis op hun openbare weg. De ene helft wil wel omhoog maar kan het niet, de andere helft remt voor niemand en allemaal hebben ze de roman Ventoux gelezen.

Van mijn moeder hoorde ik gruwelverhalen over de Posbank bij Rheden. Sinds het peloton van de Giro daar een paar weken geleden een keer of tien overheen vloog, was haar koffiehuis op de top met de Renault Clio onbereikbaar.

„Het zijn net vlooien”, zei ze over al de tourfietsers die voor haar bumper opdoken.

Dit weekeinde had ik een interview op Texel, een eiland zonder bergen dat vorige week door de Lonely Planet is ontdekt. Er was daar wat vreemds aan de hand, merkten we al op de veerboot. Tussen de geparkeerde auto’s op het benedendek stonden papa’s – en een enkele mama – verkleed als profrenner te rekken en te strekken. De benen geschoren, het buikje boven de wielrenbroek, een veel te dure fiets op het dak van de auto.

„Ja, een tourtocht!” schreeuwde een gezette vijftiger ons in het gezicht toen we informeerden wat of er aan de hand was.

Op de boot terug zagen we er een aantal weer terug. Eentje lag er op twee stoelen. Die was à la Steven Kruijswijk de duinen in gereden, heel irritant voor de rest van zijn ploegje. Een wielrenmaat had zich met frisse tegenzin laten zakken en zich, nadat hij zich ervan had vergewist dat alle ledematen er nog aan zaten, weer uit de voeten gemaakt. Een ander was achtergelaten met een gebroken ketting, zo ging dat op televisie ook.

Maar je zag er ook heel wat met een medaille om de nek. Het was treurig en aandoenlijk tegelijkertijd. Aan alles was te zien dat ze er heel graag over wilden praten, over hoe ze op een racefiets in een recordtijd over dat eiland hadden gereden, dat ze daarna pasta hadden gegeten uit een kartonnen bakje en dat dit nog maar een opmaat was naar het echte werk: in een auto op een circuit gaan racen als Max Verstappen onverhoopt nog een keer een Grand Prix in de Formule 1 zou winnen.