Ontroerend duet tussen sopraan en invalide zoon

Amore Siciliano tijdens de Operadagen.

Ook het laatste weekend van de Operadagen in Rotterdam toonde vele ‘nieuwe wegen’ – dit jaar het festivalthema , dat aantrekkelijk bleek voor een recordaantal van 23.000 bezoekers. Het thema sloot overigens ook aan bij de gelijktijdig in Rotterdam gehouden conferentie ‘ClassicalNext’, die eveneens uitnodigde tot debat over de toekomst van klassieke muziek.

Opera en muziektheater hebben het wat dat betreft relatief makkelijk; een plot verlaagt het instapniveau voor nieuw publiek. Maar ook muziektheatermakers zoeken naar vernieuwing en essentie, met de eerste onderwateropera dit weekend als meest extreme voorbeeld.

De intieme monoloog Duets with Jim bood het omgekeerde: uitgebeend muziektheater dat toonde hoe weinig eigenlijk nodig is voor een indringende voorstelling. Sopraan Andrea van Beek bezingt in Duets with Jim het hele palet aan emoties dat – zo meen je je als toeschouwer even te kunnen voorstellen – zij doormaakt als moeder van meervoudig gehandicapte zoon Jim.

Jim sprak noch liep, maar hij maakte wel dolfijnachtige geluiden. Getroffen door de muzikaliteit daarvan legde Van Beek de ‘zang’ van haar zoon vast op tape; componisten Ron Ford, Morris Kliphuis, Jacob ter Veldhuis, Huba de Graaff en Gábor Tarján verwerkten Jims oervocalises tot een prisma van duetten met zijn moeder, bijgestaan door basklarinettist Gareth Davis.

Sterk aan de voorstelling is de naaktheid van Van Beek en de oprechtheid van haar deels gesproken, deels gezongen teksten. Hoe Jim met zijn rode blosjes en gekoer haar vertedert en tot nadenken stemt: híj heeft geen goedkeuring van anderen nodig om gelukkig te zijn. Hoe ze, ondanks of juist door haar moederliefde, lijdt.

Het verhaal inspireerde de vijf componisten tot uiteenlopende scènes en sferen: van minimalistische loops tot poppy lijnen en, ten slotte, een geselende aanklacht tegen de platitudes na Jims dood: „Hè, zuur voor je!” Duets with Jim was in zijn fragmentarische opzet niet elke seconde geslaagd, maar de rauwheid en dat vreselijke, dappere lachje van Van Beek maakten het wel een voorstelling die lang zal beklijven.

Een beetje braaf was daarna Amore Siciliano door Cappella Mediterranea: een op zich originele assemblage van liefdesmadrigalen en het Canzone di Cecilia: een melancholiek walsende volksballade in trekkend mineur. De plot – liefde, verraad – verraste slechts in compromisloze voorspelbaarheid. Ook de ensemblekwaliteit van de vijf zangers in de madrigalen van Scarlatti en minder bekende barokcomponisten bracht niet steeds vervoering. Maar de tien musici speelden met schwung. En het verraste dat de charme van de ballade zo natuurlijk opbloeide in de uitvoering op barokinstrumenten als barokgitaar, blokfluit, harp en gamba.