... in een Giro die lang een oranje feestje was

De Giro begon in Nederland en bleef een Nederlands feest – al spatten de roze dromen aan het einde toch uiteen.

In Nuenen, het geboortedorp van Steven Kruijswijk, stonden kroeg, bakker en supermarkt in het teken van de Giro.

De Giro van 2016 kon je gerust een Nederlands feest noemen. Het begon in Apeldoorn met een korte tijdrit en Tom Dumoulin die het roze pakte. Dumoulin was opgelucht: waar het vorig jaar in de proloog van de Tour in de straten van Utrecht mislukte, haalde hij nu zijn gram, bejubeld door een roze enclave van duizenden landgenoten. Koning Willem-Alexander was erbij en het weer was zomers. De derde Nederlandse Giro-start, na Groningen en Amsterdam, had niet mooier gekund.

Het volksfeest duurde voort op de Gelderse wegen en bereikte nog grotere hoogten toen Maarten Tjallingii in zijn woonplaats Arnhem in de bergtrui werd gehesen. Op de Posbank ramde hij op de grote versnelling naar boven. Het leverde hem een huldiging op in het bijzijn van zijn vrouw en kinderen; precies zoals hij zich zijn laatste grote ronde had voorgesteld.

Dat sprinter Marcel Kittel daar Dumoulin uit het roze reed, mocht de pret niet drukken. Dumoulin had zijn eerste prijs dit seizoen immers binnen: proloog gewonnen, zowat overal op Nederlands grondgebied in het roze, missie geslaagd.

Maar de Limburger was eerzuchtig, en voor de klassementsrenners was het tamelijk vroeg om hun kaarten te laten zien. Dumoulin heroverde de trui in de eerste etappe in Italië en vergrootte zijn voorsprong in etappe zes door Vincenzo Nibali van zich af te schudden. Had hij dan toch aspiraties voor de eindzege? Nee, zei hij keer op keer. Hij had geen hoogtestage gedaan en dat was, vond hij zelf, in het hedendaagse wielrennen een vereiste als je bergop mee wilde doen om de prijzen. In Nederland werden ze zenuwachtig, maar dat bleek meer ijdele hoop: na zes roze dagen moest Dumoulin het hoofd buigen.

In de schaduw van de Limburger presteerde Steven Kruijswijk constanter dan wie dan ook. Altijd was hij alert, en wachtte hij zijn kansen af. Die zouden komen, net als vorig jaar, toen hij zevende werd in de Giro. Journalisten van La Gazzetta dello Sport hadden hem door: Il Gato (de kat) sloop naderbij, in het zog van de favorieten.

Generale voor olympische race

In de lange tijdrit van Chianti, door Dumoulin vooraf omcirkeld als generale voor de olympische race tegen de klok, werd veel duidelijk. Voor Dumoulin liep de wedstrijd uit op een sof. Hij zat al dagen niet lekker op zijn fiets door een ontsteking aan zijn zitvlak. Dat de tijdrit verregende hielp ook al niet. Primoz Roglic won, zijn teammaat Kruijswijk hield de schade beperkt. In het klassement kroop hij naar plek vier. Dit was de eerste waarschuwing.

De tweede kwam in de koninginnenrit van de Giro, de zwaarste van allemaal. Dumoulin was toen al afgestapt. Op de Passo Valparola, 2.200 meter hoog, klopte Kruijswijk Nibali en Valverde en reed hij zich in het roze. „Ik voelde me goed en ik vroeg Jan [Boven, ploegleider, red.] of ik mocht aanvallen. Het was vroeger dan afgesproken. Doe maar, zei hij.” Kruijswijk ging en zette wielerminnend Nederland in vuur en vlam.

Een dag later vielen de fans van hun stoel: met de rust van een zelfverzekerde kampioen won hij bijna een klimtijdrit. Alleen een onbekende Rus was sneller. Die ritoverwinning kon hem gestolen worden. Nibali keek nu tegen bijna drie minuten achterstand aan, Esteban Chaves ruim twee minuten. Na de rustdag werd het nóg mooier: Kruijswijk werd alweer tweede in de etappe naar Brixen. Nibali was het kwijt, Chaves ook. Alleen Valverde kon mee.

Vijf dagen mocht het duren tot ‘De Val’ een einde maakte aan dromen van een historische zege. Kruijswijk bracht het totaal aantal roze dagen in deze Giro voor Nederland op elf, de beste score in een grote ronde na de Vuelta van Joop Zoetemelk in 1979. Kruijswijk eindigde als vierde, de beste Nederlandse prestatie in de Giro na Erik Breukink, die in 1988 tweede werd.