‘Ik wilde helemaal geen houtfabriek in Litouwen’

(28) was negentien toen ze de Litouwse houtfabriek van haar vader overnam. Hij overleed plotseling aan een hartstilstand. ‘Ik wilde niet dat met mijn vaders dood ook zijn droom zou verdwijnen.’

De vader van Josje Feller (28) runde zijn gezin als een onderneming. Dominant en zonder tegenspraak te dulden. Josje zag hem de eerste tien jaar van haar leven vrijwel nooit – hij had zes restaurants in Den Haag en was dag en nacht aan het werk. Haar vader was haar held.

Hij was het type ‘niet lullen maar poetsen’ en ‘niet morgen maar vandaag’. Als hij iets wilde, deed hij dat, zonder rekening te houden met anderen. Hij was iemand die op zondagochtend om half zeven onder je raam ging staan boren. En die je – als je tien minuten later nog niet beneden was – uit bed trok met de vraag of je even kwam helpen.

Ondernemer worden, net als hij, dat was Josjes droom. Een woord dat ze overigens vaak gebruikt. Droom betekent voor haar: doen wat voor je bedoeld is en waar je gelukkig van wordt en niet vast blijven zitten in wat je doet omdat je dat nu eenmaal kan.

Josjes vader zat altijd de advertenties in De Telegraaf door te spitten en hij had gelezen dat daar een fabriek te koop stond. Toen Josje negen was, kocht hij een houtfabriek in Litouwen. Hij hield van hout, van klussen en was op zoek naar iets nieuws. „Het was of die advertentie voor hem gemaakt was”, zegt Josje.

Hij verkocht de restaurants en het gezin verhuisde naar een grote woonboerderij in Drenthe. Om de week vloog hij naar de fabriek. Een enorm complex met een aantal grote hallen, vier droogkamers en een zagerij. Boomstammen uit Rusland en Polen werden daar in plakken gezaagd en gedroogd om er uiteindelijk meubels van te maken.

De fabriek was groot, ver en ongrijpbaar voor Josje. Wat ze ervan wist, had ze van foto’s en video’s die haar vader had gemaakt. Zelf was ze er nooit geweest, haar vader wilde niet dat zijn vrouw en dochters mee gingen. „Dat vond hij te spannend: stel dat ik ontvoerd zou worden omdat iemand in Litouwen dacht dat we tonnen op de bank hadden staan. Wat overigens niet zo was.”

Op haar vijftiende ging ze voor haar vader werken, in Nederland. Eerst voor het bedrijf en de webshop die ze zelf was begonnen en twee jaar later in haar eigen meubelwinkel. Doordeweeks deed ze de bestellingen en het regelwerk, op zaterdag stond ze in de winkel. Haar vader liet haar alles zelf doen, ze moest haar eigen fouten maken. „Hij liet mij rustig twintig tafels bestellen, ook al wist hij dat zijn grootste klant er per jaar maar tien verkocht. Dan had ik vervolgens zeventien tafels op voorraad, van 300 euro per stuk, terwijl ik al weer nieuwe inkopen moest doen.”

Hij had ook kunnen zeggen: schat, zou je dat nou wel doen. Maar daarvan leer je niet ondernemen.

Hij nam haar overal mee naartoe, behalve naar de fabriek. Hij liet haar de administratie bijhouden –‘de financiële stand’ noemde hij dat. Het was een document waarin alles stond: de hypotheek, hoeveel er geïnvesteerd was, schulden, alles moest precies kloppen. „Er gingen miljoenen in dat bedrijf om.”

Als haar vader geld had opgehaald bij klanten, moest Josje dat op haar scooter naar de bank brengen.

„Ik had soms 20.000 euro in mijn tas. Ik dacht: wat als iemand me neerslaat en er met het geld vandoor gaat?” Haar moeder had liever dat Josje gewoon met vriendinnen afsprak. Maar ze zei er nooit iets van.

Die ochtend, Josje was 19, had ze nog met hem heen en weer gemaild over een transport dat in Nederland aan zou komen. Hij vanuit Litouwen in de fabriek, zij thuis in Nederland. Een kwartier na het laatste mailtje belde zijn secretaresse: een hartinfarct. Hij was zomaar in elkaar gezakt, zo zei ze, in steenkolenengels. „I’m sorry to tell you, your father is dead.

„Mijn eerste reactie was: ophangen en mijn vader bellen.”

De tweede reactie: wat nu? De fabriek liep door, die vrachtwagen kwam eraan. Het management belde: sorry dat we storen, maar wat wil je dat we doen met dat transport?”

Laat maar doorgaan, dacht ze. Terugsturen is te duur. De boel een dag stilzetten kost een vermogen. De fabriek moest gered, het huis moest gered, het gezin moest gered. Verstand op nul en door. „Als ik dat niet had gedaan, was mijn moeder alles kwijt geweest. Dan had ze zoveel schulden gehad, daar was ze haar hele leven niet meer uitgekomen.”

Maandenlang werkte ze achttien uur per dag. ’s Ochtends om zes uur werd ze uit haar bed gebeld met de eerste vragen; ’s nachts rond een uur of twee ging ze slapen. Zelfs toen ging ze niet naar de fabriek. „Hij had dat nooit gewild.”

Die periode maakte haar hard en zakelijk. Josje Feller werd haar vader. Kan me niet schelen dat er een probleem is, je lost het maar op. Soms heeft ze dat nu nog een beetje. Je doet het weer, zegt haar vriend dan.

Het werk was haar redding, zegt ze nu. „Als ik er écht bij stil had gestaan dat hij zomaar weg was, dan was het heel verdrietig geweest.” Natuurlijk had ze toen kunnen bedenken dat de rouw nog wel een keer zou komen.

Na een half jaar ging het knagen. „Ik dacht: wat doe ik nou eigenlijk. Ik wil helemaal geen houtfabriek in Litouwen, ik heb niks met hout. Ik wil niet langs tuincentra om meubels te verkopen aan mannen in pak die denken: wie is dit nou weer. En die vervolgens zeggen: in China krijgen we het drie keer zo goedkoop.”

„Ik besefte: dit is mijn vaders droom, die kan ik niet waarmaken. Ik wilde niet dat met zijn dood ook zijn droom zou verdwijnen. Maar ik kon het niet meer.”

Na ongeveer tien maanden verkocht ze de fabriek aan de rechterhand van haar vader in Litouwen. Een vrouw die daar al jaren werkte en met wie haar vader heel close was.

En toen kwam het. „Ik was mijn vader kwijt, ik was de fabriek kwijt en we hadden de woonboerderij verkocht, dus mijn huis was ik ook kwijt. De ene week ging het goed, de andere week kon ik van ellende niet uit bed komen.”

Josje ging voor verschillende ondernemers werken, maar merkte al snel: dit moet ik niet doen. Het was negen tot vijf werk. Gewoon simpel, doen wat je kunt. „Toen dacht ik: wat is eigenlijk mijn eigen droom? Dat was een magazine. Niet met leed, zoals je in de meeste vrouwenbladen treft, maar met inspirerende verhalen.” Met haar vriend zette ze het blad op, en ze organiseerde evenementen voor soms 700 mensen. Vanuit het magazine begon ze ook een bedrijf dat persoonlijke trainingen geeft aan ondernemers. En altijd met de vraag: wat is jouw droom? Wat wil jij eigenlijk betekenen?

De sterke kant van haar vader, die extreme mentaliteit, was slopend geweest voor het gezin. In februari van dit jaar overleed haar moeder. En nu pas zag ze: „Mijn vader had in mij een sterke vrouw gevonden, ten koste van mijn kindzijn. Ik voelde me alleen maar heel erg gezien en geliefd. Achteraf vraag ik me af of hij wel echt van een houtfabriek had gedroomd. Uiteindelijk was hij ook gewoon een man die vastzat in een baan.”