‘Het gaat mij niet om de eer die ik hier zelf kan behalen’

Interview Taco Dibbits, nieuwe directeur Rijksmuseum Taco Dibbits werd maandag benoemd als directeur van het Rijksmuseum. Grootste verschil met Wim Pijbes? „Ik duik sneller de diepte in”.

Taco Dibbits (midden) tussen zijn voorganger Wim Pijbes (links) en Erik van Ginkel (rechts), de zakelijk directeur van het Rijksmuseum bij de twee Rembrandt-portretten Maerten Soolmans en Oopjen Coppit die het museum deelt met het Louvre. Foto Bart Maat / ANP

Taco Dibbits’ geduld is beloond. Acht jaar geleden stelde hij zich ook al kandidaat voor de hoogste functie bij het Rijksmuseum. De directeurspost ging echter naar Wim Pijbes. Als directeur collecties werkte Dibbits sindsdien nauw met Pijbes samen. Bij de inrichting van het museum, de heropening in 2013, het organiseren van grote tentoonstellingen als de Late Rembrandt (die hij zelf had bedacht) en grote aankopen als de Bachus van Adriaen de Vries en Marten en Oopjen van Rembrandt.

Maandag werd bekend dat Dibbits, nu Pijbes vertrekt, alsnog directeur wordt. „Natuurlijk heb ik destijds [in 2008, red.] moeten slikken”, vertelt hij op de dag van zijn benoeming bij een glas Japanse thee op zijn kamer, waar de bloemen worden binnengedragen. „Ik heb in de documentaire Het Nieuwe Rijksmuseum ook verteld dat ik een weekend met mijn handen in de klei heb staan graven. Ik heb het toen snel geaccepteerd en uitgemaakt dat ik er niet voor de positie ben, maar voor het museum, de collectie en de mensen die hier werken. Ik kreeg direct een gesprek met Wim en dat klikte goed. Juist omdat we zo verschillend zijn en zo elkaar aanvulden. We hebben als een heel goed team samengewerkt.”

Naast het kopieerapparaat

Dibbits groeide op in Amsterdam, studeerde kunstgeschiedenis aan de VU en werkte op de afdeling oude meesters bij veilinghuis Christie’s in Londen. In 2002 stapte hij als conservator over naar het Rijksmuseum, waar hij van 1995 tot 1997 al eens had gewerkt als ‘projectmedewerker bestandscatalogi en tentoonstellingen Nederlandse en Italiaanse tekeningen’.

Is dit een jongensdroom die uitkomt, voor een man die dichtbij in de Kerkstraat in Amsterdam opgroeide? „Ik wilde industrieel ontwerpen gaan studeren en was ook al ingeschreven in Delft. Maar ik ben eerst een jaar in de wereld gaan rondkijken en kwam tot de conclusie dat mijn hart bij kunst ligt. Ik ben hier naast het kopieerapparaat begonnen en ben nu hoofddirecteur. Maar dat is nooit een doel geweest, ik ben altijd verliefd geweest op de collectie. Elke stap kwam hier als een natuurlijke stap.”

Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen u en Wim Pijbes?

„Ik duik toch sneller de diepte in. Niet alleen ieder kunstwerk is uniek, maar ook ieder mens is uniek. Dus kijk je op heel verschillende manieren naar kunst. Omdat ik in het buitenland heb gewoond, kijk ik met een internationaal perspectief. De kunst in het Rijksmuseum is van de Nederlanders, maar het is ook werelderfgoed. En dus is het van de hele wereld. Mensen die misschien niet eens weten waar Nederland ligt, kennen wel de namen van onze grote kunstenaars en denkers. Vooral uit de zeventiende eeuw, zoals Rembrandt en Vermeer maar ook Hugo de Groot, Spinoza en Descartes die in Amsterdam woonde en werkte.”

Dat kan het museum uitdiepen?

„Ja. We zijn tijdens de verbouwing doelgericht met de heropening bezig geweest. Die opening was een fantastisch moment, ik heb ervan genoten. We gaan nu een andere periode tegemoet waarin we meer verdieping kunnen geven en de rijkdom van de collectie meer naar boven kunnen halen. Kunst raakt mij heel diep en ik denk dat het een grote emotie bij mensen kan oproepen. Kunst stelt ook vragen en heeft de kracht om te verbinden. In een samenleving die polariseert, is het goed als het museum een plek van reflectie is. Door kennis te delen over het verleden, krijg je inzicht in het heden en de toekomst.

„Ik wil ook laten zien dat het in Nederland altijd een komen en gaan geweest is van mensen, die hun eigen kunst met zich meebrachten. Nederlanders hebben ontzettend veel gereisd over de wereld en je ziet dat Nederlandse kunst in andere landen veel invloed had.”

Is er na alle successen van de afgelopen jaren nog veel eer voor u te behalen als nieuwe directeur?

„Het gaat mij niet om de eer die ik hier zelf kan behalen. Het gaat erom dat het Rijksmuseum nu weer middenin de samenleving staat en daar ook moet blijven staan.”

De afgelopen jaren waren de successen groot, in bezoekersaantallen en in fondsenwerving. Is dat vol te houden?

„Het is bijzonder dat het ons lukt zoveel geld binnen te halen. Maar we moeten wel. Ik kom uit de snoeiharde commerciële omgeving van Christie’s. Ook het Rijksmuseum moeten wij runnen als een bedrijf, maar de bezoeker mag nooit het gevoel krijgen dat hij bij een bedrijf op bezoek is. Die komt hier om even uit zijn dagelijkse sleur te stappen.”

Schrikt u dan niet van een cultuurwoordvoerder van de VVD, die juist op de dag van uw benoeming in De Telegraaf zegt dat hij de subsidie van het Rijksmuseum wil afromen?

„Ik schrik niet, maar ik vind het niet verstandig. Succes moet je niet straffen. De overheid heeft er baat bij dat wij de afgelopen jaren in staat zijn geweest financiering uit veel verschillende bronnen te krijgen. Maar dat kun je dan niet zo bij ons weghalen. We hebben het hard nodig om te presteren zoals wij doen. Het digitaliseren van de collectie is heel belangrijk. Dat gaan we in vijf jaar doen, dat is een enorme investering waar tientallen mensen aan werken. Iedereen krijgt zo direct toegang tot kunst die van alle Nederlanders is.”