Fuseren ja, maar hoe snel is wijs?

Opnieuw moeten twee symfonieorkesten samengaan. De geschiedenis leert dat dat nooit zonder slag of stoot gaat.

Het Gelders Orkest uit Arnhem (onder) moet gaan fuseren met hetOrkest van het Oosten uit Enschede (boven)

Wat gebeurt er als een minister twee orkesten wil samenvoegen? Dan zegt een commissaris van de koning(in): „Us Frysk Orkest moat bliuwe, ús Frysk Orkest sil bliuwe.” (Hans Wiegel, 1989)

De directeur van het orkest zegt: „Het Limburgs Symfonie Orkest heeft een eigen klankkleur en identiteit, ik ga iets wat in 129 jaar is opgebouwd, niet in één keer opgeven.” (Henri Broeren, 2012)

Of hij zegt: „We werken in het oosten al heel intensief samen. Laten we geen gedwongen huwelijk sluiten.” (Bart van Meijl, interim-directeur bij het Orkest van het Oosten, twee weken geleden)

Uiteindelijk, soms langzaam, soms wat sneller, gebeurt het toch. In NRC stond in 2002 een lijst van alle symfonieorkesten in Nederland. Het waren er elf. Die lijst zou enkele decennia eerder veel langer zijn geweest: er was een tijd dat elke middelgrote stad zijn eigen orkest en concertzaal had.

Diezelfde lijst is nu alweer korter. Het Frysk Orkest van Wiegel bestaat niet meer, dat is nu het Noord-Nederlands Orkest, ontstaan uit een fusie met het Noordelijk Filharmonisch Orkest uit Groningen. Het Limburgs Symfonie Orkest uit Maastricht heet tegenwoordig philharmonie zuidnederland, het is samengegaan met het Brabants Orkest uit Eindhoven. En nu zijn het Orkest van het Oosten uit Enschede en het Gelders Orkest uit Arnhem aan de beurt. Maar zonder slag of stoot gaat het nooit, als de Raad voor Cultuur de minister aanraadt orkesten samen te voegen, met als dwangmiddel de subsidie. Gebruikelijke reden: geen financieel perspectief voor de langere termijn.

Alleen, hoe snel moet het? Dit zegt Winnie Sorgdrager erover, voormalig minister van Justitie, oud-voorzitter van de Raad voor Cultuur en tegenwoordig lid van de Raad van State. Zij adviseerde vier jaar geleden bij de fusie tussen de orkesten van Maastricht en Eindhoven. Sorgdrager: „De beslissing is wellicht gemakkelijk genomen, de uitvoering vergt uiterste zorgvuldigheid. Bij gewone instellingen of bedrijven is er al sprake van verschillende culturen, bij een culturele instelling speelt dat in verhevigde mate.”

Verschillende bloedgroepen

Dat hebben ze geweten bij het Noord-Nederlands Orkest. Jan Geert Vierkant was er directeur van 1999 tot 2010, de fusie was al tien jaar achter de rug toen hij begon. Vierkant: „Toen ik kwam, kon je nog duidelijk merken dat er twee bloedgroepen in het orkest waren. Mensen zochten hun oude collega’s nog op in de kantine.”

Pas toen er meer nieuwkomers waren, verbeterde de sfeer, zegt hij. „Ik hoor van mensen die er nog zitten dat je nu niks meer merkt van die twee kampen.”

Jan Willem Loot was directeur van het Nederlands Philharmonisch Orkest, dat in 1985 ontstond uit een fusie van drie orkesten. Artistiek gezien zit zo’n nieuw orkest in het begin niet meteen op niveau, zegt hij. „De musici moeten hard werken om samen weer een mooi geluid te produceren.” Loot stelde destijds meteen een nieuwe dirigent aan. En hij bracht alle musici samen in één, voor hen nieuw gebouw. Als je hem vraagt hoe lang het duurde om resultaat te zien, zegt hij: „Vijf jaar. Dat zei de dirigent ook. Tegen die tijd hadden we allebei het gevoel dat we een beter orkest hadden gekregen.”

Zover is het nog niet helemaal bij philharmonie zuidnederland. In het recente advies van de Raad voor Cultuur staat dat het in stand houden van de twee orkestkernen in Eindhoven en Maastricht „niet heeft bijgedragen aan het spelniveau”. Er moet volgens de raad een plan komen voor „één orkest met één standplaats”.

Voormalig directeur van het Brabants Orkest Arthur van Dijk, vier jaar geleden voorstander van de fusie tussen zijn orkest en dat van Maastricht: „Niemand wilde fuseren: de orkestleden niet, de provincies niet, de gemeentes niet. Wat je dan krijgt, is een compromis. Samenwerking, maar geen fusie. Een façade, eigenlijk. Ik ben daar teleurgesteld over.”

Van Dijk en zijn collega uit Maastricht zijn in 2013 opgevolgd door een nieuwe directeur, Stefan Rosu, zoals er ook één dirigent is gekomen. Wat vindt Rosu? „Ik zie ons orkest wel degelijk als geïntegreerd, we mengen juist heel bewust de leden van de vorige twee orkesten omdat we één club willen zijn.” En vergeet niet, zegt hij: „Provincies en gemeentes betalen mee, dus zo makkelijk is het niet om voor de ene of de andere standplaats te kiezen.”

Alternatieve oplossingen

In het oosten van het land hebben de provincies de handen ineengeslagen. Maar níét om te helpen bij de fusie van de orkesten. Samen hebben ze een brief geschreven aan minister Bussemaker van Cultuur. Ze vragen haar „op een andere manier invulling te geven aan het advies van de Raad voor Cultuur” en de orkesten een nieuwe opdracht te geven „die beter aansluit bij de kansen in de regio, de culturele partners en de vestigingsplaatsen en die ruimte laat voor alternatieve oplossingen en andere samenwerkingsvormen”.

In het noorden weten ze intussen dat fuseren betekent: een groter orkest met meer musici, meer inkomsten, meer mogelijkheden. Vierkant: „Bij ons kreeg het nieuwe orkest 89 fte’s. Dat was meer dan de voorgangers hadden. Dan kun je ook ander repertoire gaan spelen.” Hij raadt aan „de periode van onzekerheid zo kort mogelijk te houden”. Want: „Hoe langer het duurt, hoe meer de hakken in het zand gaan.”