Recensie

Een trommeldag om het Heineken-gevoel te voeden

Bier? Dat is 90 procent emotie en 10 procent water, zegt Heineken-bestuursvoorzitter Jean-François van Boxmeer. Een verdeling die na lezing van Heineken na Freddy van journalist Stefan Vermeulen geen stand houdt. Inmiddels is bier ook 50 procent overnames van andere biermerken. De ondertitel, De strijd van een Nederlands wereldconcern, kun je op diverse manieren lezen. Als de strijd van een bierbrouwer tegen zijn afhakende klanten (in het Westen drinken mensen minder bier en liever lokaal gebrouwen bier) of als de strijd tegen de erfenis van Freddy Heineken. Hij wist na WO II de meerderheid van de aandelen van de brouwerij terug te kopen die zijn vader ‘verkwanseld’ had, zodat de familie via een slimme juridisch-economische constructie met minimale geldmiddelen weer de baas werd in de brouwerij. Vervolgens bleek hij steeds meer, en zeker na zijn ontvoering met zijn chauffeur in 1983, een traditionele familie-ondernemer. Dat betekende: wars van schulden, geen grote risico’s, royale salarissen, maar geen lucratieve opties of aandelenbeloningen.

Er zijn ook andere manieren waarop de ondertitel te lezen is: de strijd van opeenvolgende topmanagers om zich staande te houden. Lange tijd blijkt het concern slecht aangepast aan nieuwe zakelijke mores. Dat levert soms aandoenlijke scènes op, zoals een trommelmiddag in de duinen bij Ouddorp voor een gezamenlijk Heineken-gevoel. Daarnaast is er de strijd van Freddy’s dochter Charlene en haar echtgenoot Michel de Carvalho om Heineken als familiebedrijf toch een wereldspeler te laten zijn. Want het trotse Heineken, dat zichzelf als de moeder aller wereldbiermerken beschouwt, wordt links en rechts ingehaald door bedrijven die wél gewaagde fusies en overnames aandurven.

Vanaf daar helt het relaas steeds meer over naar een beschrijving van de ene na de andere overname, met Van Boxmeer in een hoofdrol. Dat gaat gepaard met steeds hogere beloningen voor topmanagers. Heineken draait inmiddels mee in de top van Nederlandse bedrijven die hun topman koninklijk belonen. En als het tegenzit, zoals in 2014, worden de regels aangepast, zodat 750 managers toch hun verwachte bonus kunnen incasseren.

Wat in het overnamegeweld ondersneeuwt, is de vraag: waarom wilde de familie zo graag op het allerhoogste niveau meedoen, met alle risico’s van dien? De familie had ook, in de wetenschap dat men de baas is dankzij een meerderheid van de aandelen, tevreden kunnen zijn met een positie op de tweede rij. Die ene keer dat eind 2000 een opportunistische belegger de zeggenschap van de familie in twijfel trekt, onrust stookt en steun zoekt van andere aandeelhouders, wordt hij vakkundig buitenspel gezet. Die scène is verplicht leesvoer voor elke jurist, consultant en topman die boze beleggers vreest.