Column

‘De vitaliteit op aarde is onblusbaar’

‘Wij moeten zo hevig van ons leven houden dat we vanzelf in de onsterfelijkheid gaan geloven.” Blijkbaar kun je jaloers zijn op iemands levensovertuiging. Bijvoorbeeld als mensen er blijk van geven dat ze het leven vanzelfsprekend als iets moois en zinvols ervaren. Pas nog werd ik overrompeld door zo’n levenshouding, te weten die van Herman Hissink, een onberoemde leraar Nederlands van het Christelijke Haagse gymnasium Sorghvliet die de geciteerde zin schreef. Zijn oud-leerling, schrijver en vertaler Gerard Koolschijn heeft uit zijn nalatenschap dagboek- en brieffragmenten zo geschikt dat ze een portret vormen van de innerlijke houding van deze Hissink.

Wat een man! Een overweldigende, zeer protestantse, zeer gedreven leraar, hartstochtelijk natuur- en literatuurliefhebber, die in een bloem kijkend de vreugde van de hele schepping beleeft, die zijn leerlingen meeneemt naar Griekenland om daar met ezels naar afgelegen kloosters te lopen en net als hijzelf extatisch te worden van de eenvoud en de schoonheid van het leven.

Zonder dat hij zich zelf voor de gek houdt aangaande de wreedheid van de mens, of van de natuur. Zijn god is geen zorgzame vader die naar buiten snelt om zijn kinderen te redden als hij ziet dat het niet goed gaat. Zijn god is überhaupt geen vader.

Hissink heeft de diepe overtuiging dat er in alles ‘geest’ heerst. En dat uiteindelijk, in een andere werkelijkheid, alles opgelost zal worden. Hoe, dat weet hij niet en dat hoeft hij ook helemaal niet te weten, dat is ‘een mysterie’. Dat geloof helpt hem te leven en hij is bereid het vurig te verdedigen.

„Ware liefde sterft niet, ook niet bij onze dood. Hoe ik me dat moet voorstellen weet ik niet, maar alleen het onvoorstelbare is de moeite waard.”

Gek, dat je met iets zo kunt instemmen zonder erbij te kunnen komen. Want dit geloof mis ik ten enen male. Had ik het maar! Ik zou wat graag willen geloven dat ware liefde niet verloren gaat. En dat alles, ooit, goed zal komen.

Ga ik de natuur in, dan kan het mij zeker overkomen dat ik me één voel met het mij omringende: lichaam en geest, binnen en buiten, het wordt één tijdloos geheel en dat is van een grote gelukzaligheid. Maar dat heeft weinig te maken met die diepgevoelde overtuiging met een mysterie in aanraking te komen die Hissink voelt.

Die ware liefde waar hij het over heeft, is dunkt me geen romantische liefde – Hissink is een partnerloos personage – maar veeleer de belangeloze liefde zoals hij die voelt voor zijn school en leerlingen, voor de natuur, het landschap (ah dat terechte gefoeter op de verwoesting ervan in Nederland), voor elke bloem, elke vogel, voor elk dier, hoeveel pootjes het ook heeft, voor de stilte. Voor God.

Die voorstelling van Hissink heeft misschien met hetzelfde te maken als waar C.O. Jellema over schreef: „Hoe in dit leven zoveel vrucht te dragen/ dat iets, een ziel, niet met het vlees vergaat.”

Alleen is het daar een vraag, een verlangen. Hissink wéét, op een onberedeneerbare manier, dat de natuur doordrongen is van betekenis, en dat wekt bij hem weer geestdrift en het permanente gevoel van vreugde om het bestaan. „De vitaliteit op aarde is onblusbaar.”

Vandaar dat de titel ook zo goed is gekozen van dit boek: Natuurlijk bestaat God. Ja stel je voor dat je dat zou gaan tegenspreken. Stel je voor dat je zou aarzelen, weifelen, je vervelen, de zinloosheid zou zien loeren vanuit alle hoeken. Stel je voor.